HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:773

De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen over schadevergoeding bij beëindiging dan wel ontbinding van een effectenleaseovereenkomst wegens wanbetaling van een lessee en concludeert dat art. 6 van de door Dexia gehanteerde Bijzondere voorwaarden een oneerlijk beding is in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG voor zover het betrekking heeft op de rentetermijnen die ten tijde van de beëindiging nog toekomstig waren.

Een effectenleaseovereenkomst die voor bepaalde duur was gesloten wordt tussentijds beëindigd wegens wanbetaling door de afnemer. Dexia verkoopt de geleasede aandelen en verrekent de opbrengst met het restant van de leasesom en diverse kosten. Het restant van de leasesom omvat de nog niet betaalde rentetermijnen en de resterende hoofdsom. Dit bedrag wordt bij beëindiging onmiddellijk opeisbaar. Het recht van Dexia om bij wanbetaling de overeenkomst onmiddellijk te beëindigen, de resterende leasesom onmiddellijk op te eisen en de geleasede aandelen te verkopen is neergelegd in art. 6 van de Bijzondere voorwaarden bij de leaseovereenkomst. Die bepaling luidt:

“6. Indien (a) lessee na schriftelijke ingebrekestelling nalatig blijft met het betalen van één of meer maandtermijnen of het nakomen van enige andere verplichting uit hoofde van de overeenkomst of enige andere soortgelijke leaseovereenkomst als de onderhavige overeenkomst, of (b) lessee surséance van betaling aanvraagt of failliet wordt verklaard, is de Bank gerechtigd de overeenkomst en alle andere soortgelijke leaseovereenkomsten terstond te beëindigen en het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom(-men) uit hoofde van alle lopende leaseovereenkomsten soortgelijk als de onderhavige overeenkomst in zijn geheel op te eisen en de waarden te verkopen op een door de Bank te bepalen moment ter beurze of anderszins. De Bank zal de opbrengst van die verkoop in mindering brengen op datgene wat lessee haar verschuldigd is. Een eventueel batig saldo zal alsdan door de Bank aan lessee worden uitbetaald.”

Hof

In deze procedure heeft het hof in een eerste tussenarrest ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of art. 6 Bijzondere voorwaarden een oneerlijk beding is als bedoeld in de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Het gaat er dan met name om of het beding een onevenredig hoge schadevergoeding oplegt als bedoeld in de indicatieve lijst bij de richtlijn. In een tweede tussenarrest oordeelt het hof vervolgens dat art. 6 Bijzondere voorwaarden afwijkt van de wettelijke regeling van ontbinding: zonder de bepaling zou Dexia de overeenkomst alleen kunnen beëindigen door middel van ontbinding. Het hof overweegt daarbij dat in geval van ontbinding Dexia de schade zou hebben kunnen vorderen die zij lijdt doordat geen wederzijdse nakoming van de overeenkomst plaatsvindt. Omdat Dexia het vervroegd afgeloste bedrag weer kan uitlenen, zou de afnemer van het leaseproduct in beginsel (afgezien van bijkomende kosten) alleen het verschil tussen het rentepercentage dat hij aan Dexia betaalde en het rentepercentage dat Dexia over het afgeloste bedrag gedurende de resterende looptijd nog zou krijgen, als schade moeten vergoeden. Het hof overweegt dat uit de rechtspraak blijkt dat de nodige twijfels zijn gerezen over de eerlijkheid van bedingen als art. 6 Bijzondere voorwaarden en dat het hof gezien die twijfels en het feit dat deze kwestie in een groot aantal andere zaken speelt prejudiciële vragen wil stellen aan de Hoge Raad. In een derde tussenarrest vervolgens legt het hof de bijzondere voorwaarden zo uit dat de beëindiging van de overeenkomst wegens wanbetaling (art. 6 Bijzondere voorwaarden) moet worden aangemerkt als een ontbinding van de overeenkomst van Dexia, en dat op die ontbinding ook art. 15 Bijzondere voorwaarden van toepassing is. Die bepaling houdt in dat in geval van ontbinding de vordering van de lessee bestaat in een bedrag gelijk aan de verkoopwaarden van de effecten op de datum van de ontbinding verminderd met een bedrag gelijk aan de contante waarde van het onbetaalde restant van de totaal overeengekomen leasesom, en dat die contante waarde wordt berekend overeenkomstig art. 7A:1576e lid 2 (oud) BW. Ook stelt het hof vast dat Dexia is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichting om te waarschuwen voor het restschuldrisico en in de verplichting om inlichtingen in te winnen omtrent het inkomen en vermogen van de afnemer; de overeenkomsten legden naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware last op de afnemer. Om die reden, aldus het hof, komt twee derde deel van de rente, aflossing en restschuld voor vergoeding in aanmerking.

Prejudiciële vragen

Het hof heeft de volgende prejudiciële vragen gesteld:

“1. Is art. 6 Bijzondere voorwaarden in samenhang met art. 15 Bijzondere voorwaarden en gelet op de wettelijke regeling van huurkoop, de aard van de goederen, de omstandigheden rondom de sluiting van de overeenkomst en de omstandigheid dat gedurende de looptijd niet wordt afgelost op het aankoopbedrag, een beding dat op grond van Richtlijn 93/13 als oneerlijk moet worden beschouwd?

2. Maakt het voor de beantwoording van de eerste vraag uit of de verplichtingen uit de overeenkomst naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op de afnemer legden?”

Inleidende overwegingen

De Hoge Raad overweegt allereerst dat de Richtlijn niet rechtstreeks van toepassing is in de Nederlandse rechtsorde, maar dat een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht meebrengt dat de Nederlandse rechter op grond van art. 6:233 BW gehouden is een beding te vernietigen indien hij vaststelt dat een beding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn (vgl. HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, rov. 3.7.1-3.7.3). De Hoge Raad geeft dan weer welke bepalingen van de Richtlijn in deze zaak relevant zijn:

“3.5.2 Op grond van art. 3 lid 1 Richtlijn 93/13 wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Op grond van art. 4 lid 1 Richtlijn 93/13 worden voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst in aanmerking genomen, voor zover te dezen van belang, alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft.

3.5.3 Bij de vraag of art. 6 Bijzondere voorwaarden een oneerlijk beding is als bedoeld in Richtlijn 93/13, heeft het hof met name het oog op punt 1, aanhef en onder e, van de in art. 3 lid 3 Richtlijn 93/13 bedoelde, bij die richtlijn behorende indicatieve en niet uitputtende lijst, op grond waarvan een beding dat tot doel of tot gevolg heeft dat de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding wordt opgelegd, als oneerlijk kan worden aangemerkt (zie hiervoor in 3.3.1).”
 De Hoge Raad citeert vervolgens uit de arresten Aziz (HvJEU 14 maart 2013, C-415/11) en Constructora Principado (HvJEU 16 januari 2014, ECLI:EU:C:2014:10) en trekt daaruit de volgende slotsom:

“3.5.6 Uit de hiervoor weergegeven overwegingen volgt dat voor de beantwoording van de eerste door het hof gestelde vraag dient te worden nagegaan of art. 6 Bijzondere voorwaarden een ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit de overeenkomst van partijen voortvloeiende rechten en verplichtingen veroorzaakt ten nadele van de consument, met name doordat als gevolg van dit beding diens uit de wettelijke bepalingen voortvloeiende rechtspositie in daartoe voldoende ernstige mate wordt aangetast. Daarbij is in dit geval in het bijzonder van belang of door dat beding een onevenredig hoge vergoeding wordt opgelegd aan de consument die zijn verbintenissen niet nakomt. Deze beoordeling dient plaats te vinden naar het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst, waarbij dient te worden bezien welke gevolgen het beding voor de consument kan hebben.”

Het hof heeft de leaseovereenkomsten in deze zaak terecht als huurkoop aangemerkt. Voor de beantwoording van de prejudiciële vragen maakt het echter geen verschil of de overeenkomsten zijn aan te merken als huurkoop dan wel als koop op afbetaling, aldus de Hoge Raad (rov. 3.6.3). De daaropvolgende overwegingen van de Hoge Raad gelden in alle gevallen van koop op afbetaling, ongeacht of ook sprake is van huurkoop. Ook is voor de beantwoording niet van belang of art. 6 Bijzondere voorwaarden wordt uitgelegd als een beding dat betrekking heeft op ontbinding dan wel dat het enkel de bevoegdheid van Dexia regelt om de overeenkomst te ontbinding bij wanbetaling (rov. 3.6.4). En ook de vraag of art. 15 Bijzondere voorwaarden moet worden uitgelegd als een uitwerking van art. 16 Bijzondere voorwaarden is niet van belang voor de beantwoording van de vragen in deze procedure.

De rechtspositie van de lessee

De Hoge Raad overweegt dat bij het ontbreken van art. 6 Bijzondere voorwaarden Dexia de overeenkomst enkel zou kunnen ontbinden op de voet van art. 6:265 BW. Bij die ontbinding zou Dexia op grond van art. 6:271 BW recht hebben op restitutie van de aan de lessee geleende hoofdsom. Daarbij zou zij op grond van art. 6:277 aanspraak kunnen maken op schadevergoeding voor de schade die zij lijdt doordat geen wederzijdse nakoming, maar ontbinding plaatsvindt (het positieve contractsbelang). De omvang van die schade dient te worden vastgesteld door vergelijking van deze twee situaties. De Hoge Raad voegt daar nog aan toe:

“3.7.3 Bij de schadevaststelling op grond van art. 6:277 BW geldt dat Dexia door de ontbinding van de overeenkomst(en) niet in een voordeliger positie mag komen dan waarin zij bij wederzijdse nakoming zou hebben verkeerd. Dit is ook in overeenstemming met de bepaling van art. 7A:1576t (oud) BW, die erop neerkomt dat de huurverkoper door ontbinding van de overeenkomst niet in een betere vermogenstoestand mag geraken, welke bepaling van dwingend recht is (art. 7A:1576a (oud) BW).”

Bij wederzijdse nakoming zou Dexia de volledige leasesom hebben ontvangen. Door de ontbinding loopt Dexia die termijnen mis en dat levert haar in beginsel schade als bedoeld in art. 6:277 BW op. Die schade dient in mindering te worden gebracht op de voordelen die Dexia als gevolg van de ontbinding heeft. De Hoge Raad vervolgt dat bij ontbinding van een effectenleaseovereenkomst met een financiële instelling tot uitgangspunt moet worden genomen dat een eerdere aflossing die instelling in staat stelt om het betreffende bedrag opnieuw uit te lenen, wat het voordeel heeft dat dit bedrag onmiddellijk opnieuw rentedragend is, tegen het percentage dat de financiële instelling op dat moment kan bedingen. Met dat voordeel moet rekening worden gehouden bij de vaststelling van de schade als bedoeld in art. 6:277 BW. Dit strookt ook met art. 7A:1576e lid 2 (oud) BW, voor zover deze bepaling inhoudt dat de koper bij vervroegde betaling ineens van het gehele onverschuldigde bedrag steeds aanspraak heeft op een aftrek. Deze bepaling is echter niet van toepassing bij de ontbinding van een overeenkomst tot koop op afbetaling of tot huurkoop: de bepaling is slechts geschreven voor de vervroegde betaling van het nog verschuldigde bedrag door de koper tijdens de looptijd van het contract. De Hoge Raad vervolgt:

3.7.7 Uit het hiervoor overwogene volgt dat bij de schadebegroting als hiervoor genoemd in 3.7.4 en 3.7.5 buiten beschouwing dienen te worden gelaten de eventuele (langlopende) financieringskosten die de financiële instelling in verband met het aangaan van de ontbonden leaseovereenkomsten is verschuldigd. Bij die wijze van schadebegroting, die is gebaseerd op een vergelijking tussen de situaties bij ontbinding en bij nakoming, moet immers ervan worden uitgegaan dat die kosten in beide situaties gelijk zijn. Wel dient bij die schadebegroting rekening te worden gehouden met de eventuele (eenmalige) meerkosten die voor die instelling zijn verbonden aan de vervroegde beëindiging van de overeenkomsten, nu van die kosten immers geen sprake zou zijn geweest bij behoorlijke nakoming van de overeenkomsten.

3.7.8 Met het hiervoor in 3.7.5 genoemde voordeel wordt geen rekening gehouden bij de berekening van het bedrag waarop Dexia aanspraak kan maken bij beëindiging op grond van art. 6 Bijzondere voorwaarden, zij het dat bij de uitleg die het hof aan art. 15 Bijzondere voorwaarden heeft gegeven, hierin wel op andere wijze wordt voorzien, doordat bij die uitleg de in art. 7A:1576e lid 2 (oud) BW genoemde vaste aftrek van 5% per jaar dient plaats te vinden op de vervroegde betaling van het restant van de leasesom. Laatstgenoemde aftrek is evenwel volgens art. 15 Bijzondere voorwaarden bij voorbaat gelimiteerd tot dat percentage, zodat in het geval Dexia een groter voordeel geniet door de vervroegde aflossing, het verschil in zoverre niet in mindering komt op de haar toekomende vergoeding.”

Art. 6 Bijzondere voorwaarden een onredelijk beding?

De Hoge Raad overweegt dat het beding van art. 6 Bijzondere voorwaarden een aanzienlijke verstoring oplevert van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst van partijen voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van de consument. Het door Dexia te behalen voordeel bij beëindiging of ontbinding van de overeenkomst kan immers, afhankelijk van de hoogte van de rente en het tijdstip waarop de ontbinding dan wel beëindiging plaatsvindt, zeer aanzienlijk zijn. Met dat voordeel wordt bij de berekening van art. 6 Bijzondere voorwaarden geen rekening gehouden, terwijl art. 15 Bijzondere voorwaarden daar slechts op beperkte wijze in voorziet. In verband hiermee kan worden gesproken van een onevenredig hoge schadevergoeding. Daaraan doet niet af dat het voordeel voor Dexia c.q. het verschil onder omstandigheden ook zeer gering of zelfs nihil kan zijn, nu het gaat om de mogelijke gevolgen van het beding voor de consument en om de aantasting van diens rechtspositie, beide beoordeeld naar het moment van het aangaan van de overeenkomst. Aan dat alles doet ook niet af dat Dexia op grond van art. 15 Bijzondere voorwaarden, zoals dat volgens haar moet worden uitgelegd, ook de rentetermijnen contant maakt overeenkomstig art. 7A:1576e lid 2 (oud) BW. Die berekeningswijze compenseert volgens de Hoge Raad slechts voor een gering deel het eerder besproken voordeel dan wel verschil. Ten aanzien van de (eenmalige) kosten die voor Dexia zijn verbonden aan vervroegde aflossing en beëindiging geldt dat die kosten meestal slechts een gering deel zullen bedragen van het eerder genoemde voordeel dan wel verschil.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

“3.9.1 Het antwoord op de eerste vraag luidt dus bevestigend. Dat betekent dat de rechter gehouden is het beding van art. 6 Bijzondere voorwaarden op grond van art. 6:233 BW te vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de rentetermijnen die ten tijde van de beëindiging op grond van die bepaling nog toekomstig waren. Op die rentetermijnen kan dus niet op grond van art. 6 Bijzondere voorwaarden aanspraak worden gemaakt.

3.9.2 Uit het vorenstaande volgt dat het voor de beantwoording van de eerste vraag geen verschil maakt of de verplichtingen uit de overeenkomst naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op de afnemer legden. Het antwoord op de tweede vraag luidt dus ontkennend.”

Verdere overwegingen naar aanleiding van de vragen

De Hoge Raad voegt aan dit alles nog twee additionele overwegingen toe:

3.10.1 Het hiervoor overwogene laat onverlet dat Dexia bij wanbetaling door de lessee de mogelijkheid behoudt om over te gaan tot ontbinding van de overeenkomst, al dan niet op grond van art. 6 Bijzondere voorwaarden, en dat zij dan overeenkomstig art. 6:277 BW aanspraak kan maken op schadevergoeding. Die schadevergoeding dient te worden vastgesteld met inachtneming van het hiervoor in 3.7.2-3.7.7 overwogene.

3.10.2 Indien Dexia bij de totstandkoming van de overeenkomsten haar zorgplichten heeft geschonden (zoals het hof voor dit geval heeft vastgesteld; zie hiervoor in 3.3.3), dient dat bij de vaststelling van de schadevergoeding op grond van art. 6:277 BW een rol te spelen. Art. 6:101 BW is immers ook in dat verband van toepassing. Ook van deze schade dient zij in dat geval in beginsel twee derde deel zelf te dragen, overeenkomstig hetgeen is beslist in de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot effectenleaseovereenkomsten (vgl. met betrekking tot de schade van de particuliere belegger HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, NJ 2017/9, rov. 5.1.2-5.1.5).”
Share This