Rb Amsterdam 18 september 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:5910

De rechtbank Amsterdam heeft de Hoge Raad verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing antwoord te geven op de vraag of een rechtspersoon in de zin van art. 3:305a BW uit hoofde van zijn aan dit artikel ontleende bevoegdheid op de voet van art. 3:317 lid 1 BW de verjaring kan stuiten van rechtsvorderingen van personen wier gelijksoortige belangen hij ingevolge zijn statuten behartigt, strekkend tot nakoming van verbintenissen tot schadevergoeding te voldoen in geld.

Art. 3:305a BW

Volgens art. 3:305a lid 1 BW kan een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. Het derde lid van dit artikel bepaalt onder meer dat deze rechtsvordering niet kan strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld.

De vraag kan dan rijzen of een rechtspersoon zoals bedoeld in het eerste lid de verjaring van de rechtsvordering tot schadevergoeding te voldoen in geld van deze “andere personen” (niettemin) wel kan stuiten op de voet van art. 3:317 lid 1 BW. Dat is de vraag die is gerezen in het geschil tussen de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) en onder anderen de Deloitte Maatschap en die de rechtbank Amsterdam in deze zaak heeft voorgelegd aan de Hoge Raad.

Achtergrond van de zaak

De achtergrond van het geschil blijkt uit het eerdere (tussen)vonnis van de rechtbank, van 26 juni 2013 (4617). Sterk verkort: de zaak komt voort uit de problemen van Koninklijke Ahold N.V. (Ahold) met de jaarrekening van haar Amerikaanse vennootschap U.S. Foodservice over de boekjaren 2000 en 2001. Deloitte USA had de cijfers van laatst genoemde vennootschap over deze jaren naar Amerikaanse voorschriften gecontroleerd en van een goedkeurende verklaring voor consolidatiedoeleinden voorzien. De Deloitte Maatschap had mede op grond van de door Deloitte USA gecontroleerde cijfers de geconsolideerde jaarrekeningen van Ahold over de boekjaren 2000 en 2001 naar Nederlandse voorschriften gecontroleerd en van een goedkeurende verklaring voorzien.

In een persbericht van 24 februari 2003 heeft Ahold – kort weergegeven – problemen gemeld bij haar Amerikaanse vennootschap waardoor eerder uitgesproken verwachtingen over de resultaten in de jaren 2000 tot en met 2002 naar beneden moesten worden bijgesteld. Na de uitgifte van dit persbericht is de koers van de aandelen Ahold sterk gedaald.

Met een Class Action naar Amerikaans recht hebben benadeelde beleggers Ahold in de Verenigde Staten naar Amerikaans rechts aangesproken. Deze procedure heeft geleid tot een overeenkomst tussen Ahold en de benadeelden, de Settlement Agreement. De Amerikaanse rechter heeft deze overeenkomst verbindend verklaard. De overeenkomst hield onder meer in dat Ahold USD 1,1 miljard aan een Settlement Fund zou betalen en dat Deloitte geen regres meer op Ahold zou kunnen nemen. Als tegenprestatie voor dit laatste is ten behoeve van Deloitte in de overeenkomst opgenomen dat, als Deloitte aansprakelijk zou worden gehouden, Deloitte niet meer behoeft te betalen dan overeenstemt met haar interne draagplicht tegenover Ahold.

In het geschil bij de rechtbank Amsterdam gaat het er in de kern om of Deloitte (en anderen; de gedaagden) aansprakelijk is (zijn) voor de schade die aandeelhouders van Ahold volgens de VEB hebben geleden als gevolg van beroepsfouten door de gedaagden. Overigens erkent VEB dat vorderingen van die aandeelhouders moeten worden verminderd met een bedrag gelijk aan de draagplicht van Ahold (vergelijk rov. 4.4.6 van de uitspraak van 26 juni 2013). Bij verschillende exploten heeft VEB onder meer de Deloitte Maatschap een brief doen betekenen waarin VEB “namens zichzelf en alle (voormalige) aandeelhouders van Ahold” alle vorderingen die – kort gezegd – voortvloeien uit onrechtmatig handelen van Deloitte (tijdig) stuit. (Voor de tekst van de brief van VEB zie rov. 2.9.2 van de uitspraak van 26 juni 2013.)

VEB heeft in deze procedure onder meer verzocht voor recht te verklaren dat – kort gezegd –  VEB de verjaring van de vorderingen op rechtsgeldige wijze heeft gestuit. Om redenen van proceseconomie heeft de rechtbank in deze procedure verschillende “voorvragen”, waaronder de kwestie van de rechtsgeldigheid van de stuiting, eerst behandeld. Het resultaat daarvan is neergelegd in het vonnis van 26 juni 2013. In dit vonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen voornemens te zijn aan de Hoge Raad een vraag voor te leggen over de rechtsgeldigheid van de stuiting door VEB. Partijen zijn vervolgens, conform art. 392 lid 2 Rv, in de gelegenheid gesteld zich over dit voornemen uit te laten. (Voor de relevante overwegingen zie rov. 5.8.1 tot en met 5.8.9 van het vonnis van 26 juni 2013; voor de (verdere) standpunten van partijen zie rov. 2.5.4.2 en rov. 2.5.4.3 van het vonnis van 18 september 2013.)

De rechtbank heeft vervolgens de hiervoor in de eerste alinea omschreven vraag aan de Hoge Raad gesteld, letterlijk:

“Kan een rechtspersoon in de zin van artikel 3:305a lid 1 BW, uit hoofde van zijn aan dit artikel ontleende bevoegdheid, op de voet van artikel 3:317 lid 1 BW de verjaring stuiten van rechtsvorderingen van personen wier gelijksoortige belangen hij ingevolge zijn statuten behartigt, strekkend tot nakoming van verbintenissen tot schadevergoeding te voldoen in geld?”

Share This