HR 4 mei 2012, LJN BV6769 (Huisman q.q./X)

Wanneer een persoon in rechte wordt betrokken, kan reeds sprake zijn van daadwerkelijke bekendheid met de feiten waaruit de schade (bestaande uit aansprakelijkheid jegens de eisende partij) voortvloeit, ook al is op dat moment nog onzeker of de rechter de vordering zal toewijzen. Dit kan voldoende zijn voor de aanvang van de verjaringstermijn ter zake van een vordering tot verhaal van die schade op een derde, omdat daarvoor niet is vereist dat de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden waaruit voor hem de schade voortvloeit.

Achtergrond

X was bestuurder van de vennootschap CFT. In 1994 heeft het bedrijf C de heer X aangesproken uit wanprestatie en CFT uit onrechtmatige daad (CFT zou hebben geprofiteerd van de wanprestatie van X). Dit heeft in 2002 geleid tot een vonnis waarin X en CFT hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling van schadevergoeding van ruim € 280.000 aan C. X is daarnaast veroordeeld tot betaling van een contractuele boete van ruim € 135.000, welk bedrag in mindering komt op diens schadevergoedingsverplichting. CFT heeft vervolgens ruim € 250.000 aan C betaald; X heeft fl. 250.000 betaald.

In 2007 start de curator van het sinds medio 2002 failliete CFT een procedure tegen voormalig bestuurder X. De curator vordert betaling van het boedeltekort dan wel schadevergoeding, onder meer (i) wegens onbehoorlijke taakvervulling (art. 2:9 BW) dan wel (ii) bij wege van regres op grond van art. 6:10 lid 2 BW ter zake van hetgeen CFT als hoofdelijk schuldenaar aan C heeft betaald. Het hof wijst beide vorderingen af.

Verhaalsvordering uit hoofde van art. 2:9 BW verjaard

De op art. 2:9 BW gegronde vordering is ingevolge art. 3:310 BW volgens het hof verjaard, aangezien CFT uiterlijk in 1994 – toen zij in rechte werd betrokken door C – ervan op de hoogte raakte dat C haar aansprakelijk hield. De curator klaagt in cassatie (onder meer) dat het hof heeft miskend dat de enkele mogelijkheid of het enkele vermoeden van schade nog geen bekendheid met de schade in de zin van art. 3:310 BW meebrengt.

De Hoge Raad stelt bij de beoordeling van deze klacht, onder verwijzing naar HR 9 juli 2010, LJN BM1688, het volgende voorop:

 “De in art. 3:310 lid 1 BW bedoelde verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon.
Deze eis houdt volgens vaste rechtspraak in dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon.”

Volgens de Hoge Raad heeft het hof dit echter niet miskend:

“Het [Hof] is kennelijk, overeenkomstig de stelling van [X], ervan uitgegaan dat CFT op het moment dat zij door [C] in rechte werd betrokken reeds daadwerkelijk bekend was met de feiten waaruit de schade voor haar voortvloeide (…), ook al was toen nog onzeker of de rechter de vordering van [C] zou toewijzen. Dit is voor de aanvang van de verjaringstermijn voldoende, omdat daarvoor niet is vereist dat de benadeelde daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden waaruit voor hem de schade voortvloeit. Daarom was CFT op dat moment daadwerkelijk in staat een rechtsvordering tot verhaal van die schade tegen [X] – al of niet in vrijwaring – in te stellen, ook al had die schade zich voor CFT nog niet gemanifesteerd in een toewijzend vonnis. In een zodanig geval kon CFT immers van [X] in elk geval vergoeding vorderen van de schade waartoe zij in de door [C] aangevangen procedure mocht worden veroordeeld. “

Het is bij deze overweging van belang om te bedenken, dat het bij de verhaalsvordering van CFT op X, voor zover die is gebaseerd op art. 2:9 BW, gaat om een verhaalsvordering op een zelfstandige grondslag (en dus niet om een verhaalsvordering tussen hoofdelijke medeaansprakelijken, die de tweede grondslag van de vordering van CFT op X vormt). Bij zo’n verhaalsvordering op een zelfstandige grond zou de schade van CFT – eruit bestaande dat zij door het (gestelde) onbehoorlijke bestuur van X aansprakelijk werd jegens C – zijn ontstaan op het moment waarop in de verhouding tussen CFT en X de wettelijke vereisten voor aansprakelijkheid waren vervuld. Bij de vraag of de curator van CFT X ook tijdig voor die schade heeft aangesproken, gaat het er ingevolge art. 3:310 lid 1 BW vervolgens om op welk moment CFT met het ontstaan van haar aansprakelijkheid jegens C bekend is geworden. Dit laatste tijdstip kan al liggen vóór het moment waarop de rechter uiteindelijk de vordering van C jegens CFT toewees. Zoals de Hoge Raad al eerder oordeelde is namelijk voor het aanvangen van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW niet vereist dat men ook bekend is met de juridische beoordeling van zijn vordering (zie bijvoorbeeld eerder HR 26 november 2004, LJN AR1739).

Geen hoofdelijkheidsregres

De tweede grondslag waarop de curator zijn vordering jegens X in deze curator had gebaseerd, was het zogeheten hoofdelijkheidsregres: als twee schuldenaren hoofdelijk zijn verbonden en één van hen aan de schuldeiser meer betaalt dan het gedeelte van de schuld dat hem aangaat, heeft hij voor het teveel betaalde op grond van art. 6:10 BW regres op de hoofdelijke medeschuldenaar. Bij deze tweede grondslag van de vordering komt in deze zaak niet de vraag naar de verjaring van de verhaalsvordering aan de orde. Mogelijk houdt dat ermee verband dat de verhaalsvordering bij hoofdelijkheidsregres pas ontstaat op het moment van betaling door een hoofdelijk schuldeiser (aldus oordeelde de Hoge Raad recentelijk in zijn arrest van 6 april 2012, LJN BU3784; hier besproken op Cassatieblog). Dat tijdstip was in deze zaak beduidend later gelegen dan het moment waarop CFT door C in rechte werd betrokken, namelijk pas na het vonnis van de rechtbank uit 2002.

Wel in cassatie aan de orde komt de vraag óf CFT uit de hoofdelijkheidsverhouding met X nog een verhaalsvordering op X heeft. De curator had betoogd dat de draagplicht voor de schuld aan C volledig bij X rust, omdat CFT bij het schadetoebrengend handelen slechts als “instrument” van X zou hebben gefungeerd. Dat brengt volgens de curator gelet op art. 6:10 lid 2 jo. 6:102 jo. 6:101 BW met zich dat de schade (in de interne verhouding tussen X en CFT) volledig voor rekening van X moet komen. Het hof heeft echter geoordeeld dat CFT niet slechts als een instrument van X kan worden gezien en heeft de regresvordering afgewezen. Dat oordeel houdt in cassatie stand omdat het oordeel van het hof berust op een (aan het hof voorbehouden) waardering van de feiten en uitleg van de stellingen van partijen, die niet onjuist of onbegrijpelijk wordt geacht door de Hoge Raad.

Share This