Selecteer een pagina

HR 14 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:13

 De in art. 7:663 BW genoemde vervaltermijn van een jaar geldt niet voor de aansprakelijkheid van een bestuurder voor achterstallige pensioenpremie op grond van art. 23 Wet Bpf 2000.

De feiten

PFZW is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Wet Bpf 2000. A B.V. was verplicht ingehouden pensioenpremie af te dragen aan PFZW. Vanaf 17 juli 2008 was verweerder bestuurder van A B.V. In mei 2008, dus voordat verweerder als bestuurder aantrad, heeft de toenmalige bestuurder namens A B.V. met PFZW een betalingsregeling getroffen voor een onbetaalde factuur van PFZW van € 700.000. Vanaf eind augustus 2008 is opnieuw een betalingsachterstand ontstaan. Verweerder heeft PFZW toen geschreven dat A B.V. niet in staat was de pensioenpremie tijdig te voldoen. PFZW en A B.V. hebben opnieuw een betalingsregeling getroffen. Verweerder heeft toen ook met PFZW gesproken over een mogelijk faillissement van A B.V. of een schuldeisersakkoord. In 2009 heeft A B.V. haar onderneming overgedragen aan een stichting. Hierbij was sprake van een overgang van de onderneming als bedoeld in art. 7:663 BW. In november 2009 heeft PFZW verweerder op grond van art. 23 Wet Bpf 2000 aansprakelijk gesteld voor de resterende schuld van A B.V. aan PFZW van € 673.000.

De beslissing van het hof

Het hof heeft de vordering van PFZW afgewezen. Het heeft deze beslissing er ten eerste op gebaseerd dat A B.V. haar betalingsonmacht tijdig aan PFZW heeft gemeld. Reeds daarom was geen sprake van aansprakelijkheid van verweerder op de voet van art. 23 lid 4 Wet Bpf. Daarnaast was de aansprakelijkheid van verweerder volgens het hof afhankelijk van de aansprakelijkheid van A B.V. voor de onbetaalde pensioenpremies. Deze laatste aansprakelijkheid is op grond van art. 7:663 BW een jaar na de overdracht van de onderneming van A B.V. aan de stichting vervallen, waarmee toen ook de aansprakelijkheid van verweerder zou zijn vervallen.

Het oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad laat het eerste oordeel van het hof in stand, onder verwijzing naar HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1976, CB 2022-3. Omdat het oordeel dat A B.V. de betalingsonmacht tijdig heeft gemeld de beslissing van het hof zelfstandig kan dragen, heeft PZVW geen belang bij haar klachten over het oordeel van het hof dat de aansprakelijkheid van verweerder afhankelijk was van die van A B.V. De Hoge Raad ziet echter aanleiding om de klachten tegen dit oordeel toch te bespreken.

De Hoge Raad acht deze klachten gegrond. Hij stelt voorop dat uit de parlementaire geschiedenis van de voorganger van art. 23 Wet Bpf 2000 kan worden afgeleid dat de wetgever is uitgegaan van de toepasselijkheid van de regels over hoofdelijkheid in afdeling 6.1.2 BW. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van deze afdeling zijn de vorderingsrechten van de schuldeiser jegens de hoofdelijke schuldenaren zelfstandig, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. De zelfstandigheid van vorderingsrechten betekent onder meer dat verjaring of verval van het vorderingsrecht jegens de ene hoofdelijke schuldenaar niet verjaring of verval van het vorderingsrecht jegens de andere hoofdelijke schuldenaar meebrengt. De wet bevat geen gronden om af te wijken van het uitgangspunt dat de vorderingsrechten van het bedrijfstakpensioenfonds jegens de rechtspersoon en de aansprakelijke bestuurder zelfstandig zijn:

“De in art. 7:663 BW genoemde vervaltermijn berust op een afweging van de belangen van de werknemer (waaronder diens belang bij betaling van pensioenpremie door de werkgever) en van de oude werkgever en houdt geen verband met de positie van een bestuurder die op grond van art. 23 Wet Bpf 2000 hoofdelijk aansprakelijk is voor achterstallige premie. Voorts gaat de aanspraak van het bedrijfstakpensioenfonds op betaling van achterstallige premie niet teniet, maar gaat de verplichting tot betaling van die achterstallige premie van rechtswege over op de overnemende rechtspersoon. Daarom kan uit de tekst van art. 23 leden 1 en 5 Wet Bpf 2000, inhoudende dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurder betrekking heeft op door de rechtspersoon verschuldigde premie, respectievelijk dat de bestuurder slechts kan worden aangesproken indien de rechtspersoon met de betaling van de premie in gebreke is, niet worden afgeleid dat aansprakelijkheid op de voet van art. 23 Wet Bpf 2000 van een bestuurder van een overdragende rechtspersoon voor premieschulden die zijn ontstaan in de periode dat hij bestuurder was, eindigt met het verstrijken van de termijn van een jaar als bedoeld in art. 7:663 BW.”

Voor het toepassen van de vervaltermijn van art. 7:663 BW op (ook) de aansprakelijkheid van de bestuurder kan volgens de Hoge Raad evenmin steun worden ontleend aan de opmerking in de wetsgeschiedenis dat de verjarings- en vervaltermijnen voor de aansprakelijke bestuurder zijn gekoppeld aan die van de hoofdschuldenaar. Die opmerking diende slechts om toe te lichten waarom een advies om voor de bestuurder speciale, korte vervaltermijnen in de wet op te nemen niet werd gevolgd.

Afdoening

De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze afdoening is in overeenstemming met de conclusie van A-G Assink.

De bestuurder is in cassatie bijgestaan door de auteur.

Share This