Dossier: Huurrecht


HR 10 augustus 2012, LJN BW4986

De aard van een huurovereenkomst brengt, mede gelet op art. 7:201 lid 1 BW, mee dat de in de huurovereenkomst bepaalde tegenprestatie van de huurder is verschuldigd vanaf het moment waarop de verhuurder het gehuurde aan de huurder in gebruik heeft verstrekt, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. (meer…)

HR 10 augustus 2012, LJN BW6737 (Gemeente Rotterdam/Utopia U.A.)

Voor de beantwoording van de vraag of in een geval waarin partijen een gemengde huurovereenkomst hebben gesloten die betrekking heeft op een combinatie van woonruimte, 230a-bedrijfsruimte of 290-bedrijfsruimte, splitsing van de huurovereenkomst mogelijk is in afzonderlijke huurovereenkomsten voor de verschillende categorieën ruimten, dient de rechter acht te slaan op alle omstandigheden van het geval, waaronder het gebruik dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan, het gebruik dat thans van het gehuurde wordt gemaakt, de inrichting van het gehuurde in relatie tot dat gebruik en de gevolgen van een eventuele splitsing voor het (overeengekomen en feitelijk) gebruik door de huurder. (meer…)

HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3217 (Z/NS Vastgoed B.V.) en
HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7172 (X/Gemeente Rotterdam)

Als een onbebouwd terrein aan de huurder ter beschikking wordt gesteld met de bedoeling of de verplichting dat de huurder daarop een bebouwing zal oprichten, bestemd om te worden gebruikt als bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 e.v. BW, is afdeling 7.4.6 BW in beginsel niet van toepassing. Het oordeel dat een dergelijke huurovereenkomst alleen betrekking heeft op het terrein en niet op de daarop aanwezige en nog op te richten opstallen, is niet rechtens onjuist op grond van het enkele feit dat de door de huurder op te richten bebouwing reeds op het terrein aanwezig was toen de huurovereenkomst inging. (meer…)

HR 29 juni 2012, LJN BW1280 (X/Stichting Berregratte)

Op grond van art. 7:228 lid 2 BW eindigt een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd door opzegging tegen een voor de huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van tenminste één maand. Voor een uitzondering op deze regel kan plaats zijn indien de opzeggende partij misbruik maakt van bevoegdheid in de zin van art. 3:13 BW. Voldoende is echter dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat.  (meer…)

HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2628

Art. 15 Leegstandswet staat niet aan de toepasselijkheid van art. 7:232 lid 2 BW in de weg. Het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC5593 (Stichting Studentenhuisvesting Tilburg), heeft ook na de invoering van art. 7:232 lid 4 BW zijn betekenis behouden. (meer…)

HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1767 (St. Ymere/Bewonersvereniging Nellestein)

Indien tegen een door de verhuurder bedongen voordeel (zoals verhuurkosten) geen of een verwaarloosbare tegenprestatie staat, moet tot uitgangspunt worden genomen dat sprake is van een niet redelijk voordeel in de zin van art. 7:264 lid 1 BW. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een zodanig niet redelijk voordeel kan als gezichtspunt in aanmerking worden genomen dat de verhuurder (een woningcorporatie) een specifieke taak vervult op het terrein van de volkshuisvesting, alsmede dat aan haar op de voet de van art. 11 Besluit Beheer Sociale Huursector (BBSH) bepaalde werkzaamheden zijn opgedragen. (meer…)

Cassatieblog.nl