Alle berichten met de tag: BW art. 3:13


HR 22 december 2017,ECLI:NL:HR:2017:3250 (Bencis/Van Oord)

Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan worden afgewezen als: – van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt wordt gemaakt (art. 3:13 BW);
– het verzoek strijdig is met een goede procesorde, of
– het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.
Voorts bestaat geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (art. 3:303 BW).  (meer…)

HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1064

Niet alleen een eerste, maar ook een later verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen (‘Wsnp-verzoek’) kan de behandeling van een verzoek tot faillietverklaring schorsen. Wanneer de rechter tot het oordeel komt dat de schuldenaar misbruik maakt van zijn bevoegdheid om een herhaald Wsnp-verzoek in te dienen, kan evenwel van schorsing worden afgezien. (meer…)

HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:485

Ook het weigeren van een buitengerechtelijk akkoord waarbij niet alle schuldeisers zijn betrokken, kan misbruik van bevoegdheid opleveren. Bij de beoordeling daarvan kan aansluiting worden gezocht bij de door de Hoge Raad in het Payroll-arrest (HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7799, NJ 2006/230) geformuleerde maatstaf.

(meer…)

HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2997

(1) Er kan sprake zijn van misbruik van de bevoegdheden die art. 66 Fw en art. 105106 Fw aan de rechter-commissaris toekennen, indien deze worden aangewend voor een ander doel dan het verkrijgen van opheldering over alle omstandigheden die het faillissement betreffen. (2) In bijzondere omstandigheden dient de rechter-commissaris te motiveren waarom hij een verhoor op de voet van art. 66 Fw of art. 105 Fw wil laten plaatsvinden. (meer…)

HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:228 (mr. Welage q.q./Rabobank)

De uitoefening door de curator van een voor hem uit art. 58 lid 1 Fw voortvloeiende bevoegdheid kan in de omstandigheden van het geval misbruik van bevoegdheid in de zin van art. 3:13 BW behelzen. Van een zodanig misbruik kan onder meer sprake zijn indien de curator, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen de betrokken belangen, naar redelijkheid niet tot die uitoefening heeft kunnen komen. (meer…)