Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Eenvoudige gemeenschap tussen echtgenoten moet in afwikkeling wettelijk deelgenootschap worden betrokken

CB 2017-37 Geplaatst op 28 februari 2017 door

HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:156

Indien echtgenoten in hun huwelijkse voorwaarden naast een wettelijk deelgenootschap zijn overeengekomen dat bepaalde goederen krachtens huwelijksvermogensrecht gemeenschappelijk zijn, dan blijft het aandeel in die beperkte huwelijksvermogens-rechtelijke gemeenschap buiten de verrekening in het kader van het wettelijk deelgenootschap. Goederen die tussen hen uit anderen hoofde dan krachtens huwelijksvermogensrecht gemeenschappelijk zijn, dienen daarentegen wel in die verrekening te worden betrokken. De omstandigheid dat degenen die deelgenoten in een eenvoudige gemeenschap zijn met elkaar zijn gehuwd, brengt niet mee dat art. 3:173 BW toepassing mist.

Achtergrond van de zaak

De man en de vrouw in deze zaak zijn in 1986 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. In hun huwelijkse voorwaarden zijn zij een wettelijk deelgenootschap met een finaal verrekenbeding overeengekomen, op grond waarvan zij zich – kort gezegd – jegens elkaar hadden verplicht de vermeerdering van hun privévermogens die tijdens het deelgenootschap zou plaatsvinden, aan het einde van het huwelijk met elkaar te delen. Eind 2007 is het huwelijk tussen partijen door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ontbonden.

Aan partijen behoort in gemeenschappelijk eigendom onder meer een onroerende zaak toe, bestaande uit een perceel grond met daarop een woning in aanbouw. Dit betreft een eenvoudige gemeenschap in de zin van titel 7 van Boek 3 BW. In het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden is tussen partijen een geschil ontstaan over de verrekening van het wettelijk deelgenootschap zoals dit tussen hen heeft bestaan en over de verdeling van de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschap. Het hof heeft hieromtrent beslist dat, behoudens andersluidende overeenstemming tussen partijen, de waarde van de goederen behorende tot de eenvoudige gemeenschap in de verrekening van het wettelijk deelgenootschap moeten worden betrokken.

Cassatie

Beide partijen hebben cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. De vrouw klaagt in het incidentele cassatieberoep (onder meer) dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven ten aanzien van de regel die geldt voor de wijze waarop met het bestaan van een eenvoudige gemeenschap in het kader van de verrekening van het wettelijk deelgenootschap moet worden omgegaan. Zij doelt in dit verband (onder meer) op het tweede lid van art. 1:139 BW (oud), dat bepaalde dat tot het vermogen van een echtgenoot al zijn goederen en schulden worden gerekend, met uitzondering van zijn aandeel in een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen. Volgens de vrouw brengt een redelijke wetsuitleg en wetstoepassing mee dat in een geval waarin naast het wettelijk deelgenootschap een eenvoudige gemeenschap bestaat, deze gemeenschap bij het vaststellen van de verrekeningsvordering uit hoofde van het wettelijk deelgenootschap buiten beschouwing moet worden gelaten.

De Hoge Raad gaat hier echter niet in mee en is, net als A-G mr. Vlas, van oordeel dat uit de toelichting op art. 1:139 BW (oud) volgt dat indien echtgenoten in hun huwelijkse voorwaarden naast een wettelijk deelgenootschap ook een beperkte huwelijksgemeenschap zijn overeengekomen, het aandeel in die beperkte huwelijksgemeenschap buiten de verrekening in het kader van het wettelijk deelgenootschap blijft. Voor goederen die tussen echtgenoten uit anderen hoofde dan krachtens huwelijksvermogensrecht gemeenschappelijk zijn, geldt volgens de Hoge Raad echter dat deze wél in de verrekening krachtens het wettelijk deelgenootschap dienen te worden betrokken. De Hoge Raad licht dit als volgt toe:

“5.2.4. Uit de zojuist aangehaalde T.M. blijkt dat de uitzondering die daarin is gemaakt voor een tussen de echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen, betrekking heeft op een (beperkte) huwelijksgemeenschap. Deze gemeenschap kent een eigen regeling (art. 1:93 e.v. BW; zie ook art. 3:189 lid 1 BW). Onderdeel van die regeling is dat echtgenoten van de aanvang van het huwelijk af ieder zijn gerechtigd tot de goederen die tot die gemeenschap behoren en daarin gedurende het huwelijk dus geen aandelen hebben (vgl. art. 1:94 lid 1 BW en art. 1:100 BW). Het betrekken van deze huwelijksgemeenschap in de afrekening waartoe het wettelijk deelgenootschap bij het einde van het huwelijk verplicht, kan ertoe leiden dat de werking van de huwelijksgemeenschap wordt teniet gedaan. Dit geldt niet voor een eenvoudige gemeenschap, die ontstaat indien op huwelijkse voorwaarden gehuwde echtgenoten gezamenlijk een goed verwerven, waarin zij ieder een eigen (in beginsel gelijk) aandeel hebben dat tot hun privévermogens behoort en waarover zij ieder afzonderlijk kunnen beschikken (art. 3:166 BW en 3:175 BW). In dat geval is er geen reden om het aandeel van een echtgenoot in het desbetreffende goed anders te behandelen dan de goederen waarvan hij enig eigenaar is.”

Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het hof de waarde van de onroerende zaak dus op zichzelf terecht in de afwikkeling van het wettelijk deelgenootschap betrokken, zodat de hiertegen gerichte klacht van de vrouw niet kan slagen (r.o. 5.3.1). Wel slaagt de klacht dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, nu geen van partijen had bepleit dat de eenvoudige gemeenschap bij de verrekening van het deelgenootschap moest worden betrokken (r.o. 5.3.2).

Daarnaast klaagt de vrouw in cassatie dat het oordeel van het hof dat de echtgenoten geen rekening en verantwoording aan elkaar schuldig zijn over het door hen gevoerde beheer ten aanzien van het vermogen binnen de eenvoudige gemeenschap, rechtens onjuist is. De omstandigheid dat echtgenoten zijn gehuwd in voor- en tegenspoed, betekent volgens de vrouw niet dat de regel van art. 3:173 BW niet geldt. Volgens A-G mr. Vlas moest deze klacht van de vrouw falen; hij wijst op het exclusieve karakter van het huwelijk en de huwelijksgemeenschap die de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording zou verhinderen. Hij betoogt dat dit een gevolg is van de huwelijksgemeenschap en de daaraan verbonden lotsverbondenheid die pas eindigt bij de ontbinding ervan. De Hoge Raad acht de klacht van de vrouw echter toch gegrond en overweegt in dit verband als volgt:

“5.4.4. Volgens art. 1:90 lid 1 BW is een echtgenoot bevoegd tot het bestuur van zijn eigen goederen en, volgens de regels van art. 1:97 BW, tot het bestuur van goederen van een huwelijksgemeenschap. Hij hoeft ter zake van dat bestuur geen rekening en verantwoording af te leggen aan de andere echtgenoot (art. 1:138 lid 1 BW en HR 3 december 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB6790, NJ 1972/338). Dat geldt ten aanzien van het bestuur over de eigen goederen ook indien sprake is van huwelijkse voorwaarden die een verrekenbeding bevatten. Art. 1:133 (oud) BW bepaalde voor het wettelijk deelgenootschap in gelijke zin. Tussen de echtgenoot die het hem toekomend bestuur overlaat aan de andere echtgenoot en deze laatste, zijn echter de bepalingen omtrent opdracht van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van de aard van de huwelijksverhouding en de aard van de goederen (art. 1:90 lid 3 BW). Indien een echtgenoot het hem toekomend bestuur overlaat aan de andere echtgenoot, is deze laatste dan ook in beginsel gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording over het gevoerde bestuur (art. 1:90 lid 3 BW in verbinding met art. 7:403 lid 2 BW). Hij kan wegens nalatigheid bij dat bestuur aansprakelijk zijn overeenkomstig de bepalingen omtrent opdracht dan wel, in geval van onrechtmatig bestuur, op grond van onrechtmatige daad (vgl. Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Aanpassing BW 1991, p. 41).”

Naar het oordeel van de Hoge Raad kan dus ook binnen het huwelijk sprake zijn van een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording en schadeplichtigheid. De aard van de tussen echtgenoten bestaande rechtsverhouding verzet zich daar niet tegen.

De Hoge Raad vernietigt de arresten van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

email print