Selecteer een pagina

HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:262 

Het bestreden oordeel van het hof dat de vader onvoldoende inzicht in zijn financiële positie heeft gegeven, voldoet niet aan de minimale eis dat ook een beslissing over alimentatie ten minste zodanig dient te worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.

Vernietiging van alimentatiebeslissingen

Dit is de tweede alimentatiebeslissing die in 2014 door de cassatierechter werd vernietigd. In 2013 waren dat er elf. Dat lijkt opmerkelijk, omdat voor beslissingen omtrent draagkracht en behoefte zodanig lage motiveringseisen gelden dat cassatieklachten tegen dit soort beslissingen meestal weinig kans van slagen hebben. Een nadere blik op deze uitspraken laat echter zien dat in de meeste zaken de grond voor vernietiging niet zozeer gelegen was in de motivering van de beslissingen omtrent draagkracht en/of behoefte, maar in andere (rechts)oordelen.

Samenwonen als waren zij gehuwd

Zo stond in twee zaken een beroep op art. 1:160 BW centraal. Op grond van dit artikel kan de alimentatieplicht beëindigd worden als de alimentatiegerechtigde is gaan samenwonen met een nieuwe partner “als waren zij gehuwd”. De Hoge Raad oordeelde in 2013 dat daarvan in zijn algemeenheid niet snel (CB 2013-194) en in geval van samenwonen met een nieuwe, nog gehuwde partner géén (CB 2013-212) sprake is.

Gezag van gewijsde bij wijzigingsprocedure

Twee andere zaken (CB 2013-94 en CB 2013-213) betroffen de reikwijdte van het leerstuk van gezag van gewijsde in een wijzigingsprocedure op de voet van art. 1:401 BW. Ook ECLI:NL:HR:2013:2130 betrof zo’n wijzigingsprocedure. De Hoge Raad vernietigde de bestreden beschikking, omdat het hof ten onrechte het verval van een uitkering niet had betrokken in zijn beoordeling of sprake was van een relevante wijziging van omstandigheden.

Grenzen van de rechtssstrijd

ECLI:NL:HR:2013:CA1726 betrof een geval van miskenning van de grenzen van de rechtsstrijd. Deze grenzen werden bepaald door enerzijds de oorspronkelijke alimentatievaststelling (€ 247,- per maand) waarvan de man nihilstelling verzocht en anderzijds de beschikking van de rechtbank waarbij de alimentatie verlaagd werd tot € 136,- per maand. De vrouw had tegen die beschikking hoger beroep ingesteld. Omdat de man op zijn beurt geen incidenteel beroep had ingesteld, zag de rechtsstrijd in hoger beroep op een alimentatiebedrag tussen € 136,- en € 247,- per maand. In strijd met deze bandbreedte had het hof de alimentatie op nihil gesteld.

Vervaltermijn niet-wijzigingsbeding

In CB 2013-159 vernietigde de Hoge Raad de alimentatiebeschikking omdat het hof had miskend dat het – ambtshalve –  de vervaltermijn van art. 1:157 lid 2 BW (een niet-wijzigingsbeding in een echtscheidingsconvenant vervalt als het convenant langer dan drie maanden voor indiening van het echtscheidingsverzoek tot stand kwam) had moeten toepassen.

Anderszins onbegrijpelijke/ onjuiste beslissing over draagkracht

De beslissing waarbij het hof kinderalimentatie voor drie kinderen vaststelde, terwijl de oudste van die drie kinderen inmiddels 21 jaar was, werd eveneens vernietigd (ECLI:NL:HR:2013:BY3236). Maar ook dit mankement in ’s hofs beslissing betrof niet zozeer de weging van omstandigheden die zien op de draagkracht en behoefte.

In CB 2013-51 richtten de pijlen zich in cassatie wel op ’s hofs beslissing omtrent de draagkracht, maar de grond voor vernietiging daarvan lag in een onjuiste rechtsopvatting omtrent de bijstandsnorm voor 65-plussers.

In ECLI:NL:HR:2013:BY1882 werd de beschikking van het hof vernietigd omdat het hof zonder motivering voorbij ging aan stellingen omtrent het inkomen van de nieuwe partner van de alimentatieplichtige. Daarover oordeelde de Hoge Raad eerder (CB 2012-150) dat dit inkomen ook meetelt bij de vaststelling van de draagkracht van de alimentatieplichtige en dat de alimentatierechter daarom niet zonder motivering voorbij mag gaan aan de weigering van de alimentatieplichtige om inkomensgegevens van de nieuwe partner over te leggen.

Zuivere motiveringsgebreken bij beslissing omtrent draagkracht/behoefte

Bij geen van deze uitspraken was het dus puur de motivering van de beslissing omtrent draagkracht en/of behoefte, die (met succes) aan een beoordeling door de Hoge Raad werd onderworpen. In die categorie resteert uit 2013 slechts één uitspraak, namelijk CB 2013-206. Daarin oordeelde de Hoge Raad dat een alimentatievaststelling zonder kenbare vaststelling van behoefte en draagkracht niet voldoet aan de minimale motiveringseisen.

In diezelfde lijn lag ook de alimentatie-primeur van 2014 (CB 2014-28), waarin het ging om wijziging alimentatie na eerder veronderstellenderwijs aangenomen draagkracht.

En dan is er de hier besproken uitspraak van 7 februari 2014. Het hof oordeelde dat de vader onvoldoende inzicht had geboden in zijn financiële positie en bepaalde de kinderalimentatie op € 165,- (omdat de vader “ten minste in staat moet worden geacht de helft van de kosten van de minderjarigen voor zijn rekening te kunnen nemen“). Het hof wees het verzoek van de vader tot vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen partneralimentatie af. Redengevend voor beide beslissingen achtte het hof dat de man enerzijds had gesteld dat hij zijn huidige woning – met een huurprijs die hoger was dan de door hem ontvangen uitkering – slechts kon betalen dankzij hulp van zijn ouders, maar dat hij anderzijds een potentiële inkomstenbron als muzikant (“hoe klein deze volgens zijn stelling ook zou zijn”) liet liggen.

De Hoge Raad maakt in rov. 3.5 korte metten met dit oordeel.

“3.5 (…) De derde en vierde volzinnen van rov. 11 doen kennelijk dienst ter motivering van het oordeel dat de man onvoldoende inzage heeft gegeven in zijn huidige financiële positie. Echter:

a) het hof heeft niet geoordeeld dat het de verklaring die de man geeft voor het kunnen wonen in de woning ongeloofwaardig acht, zodat niet valt in te zien in welk opzicht de omstandigheid dat de man de huurprijs alleen kan betalen dankzij de hulp van zijn ouders, bijdraagt tot onduidelijkheid omtrent zijn financiële positie;

b) het laten liggen van een potentiële bron van inkomsten door de man draagt eerder bij tot duidelijkheid over diens financiële positie omdat daaruit volgt dat geen inkomsten uit die bron worden genoten;

c) niet duidelijk wordt op welke tegenstrijdigheid of ongerijmdheid het hof in de derde volzin van rov. 11 (kennelijk) doelt waar het wijst op enerzijds de omstandigheid dat de man stelt dat hij de huurprijs van zijn huidige woning kan betalen dankzij de hulp van zijn ouders en anderzijds de omstandigheid dat de man een (kleine) potentiële inkomstenbron als muzikant laat liggen;

d) voor de overweging in de vierde volzin van rov. 11 over de bijstandsuitkering geldt dat deze eveneens slechts bijdraagt tot duidelijkheid over de financiële positie van de man.”

Het oordeel van het hof voldoet daarom niet aan de minimale eis dat ook een beslissing over alimentatie ten minste zodanig dient te worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken. En daarmee is deze uitspraak een van de weinige uitspraken waarin een zuivere motiveringsklacht tegen een beslissing omtrent draagkracht tot vernietiging leidt.

Share This