Hoge Raad 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1036 (S&S/Esschert)

(1) De vrijheid die de Europese regelgever aan de nationale rechtsstelsels heeft willen overlaten om te bepalen of en, zo ja, in hoeverre een model auteursrechtelijk wordt beschermd, is beperkt door rechtspraak van het HvJEU waarin het auteursrechtelijk werkbegrip is geharmoniseerd. (2) Voor het ontstaan van opdrachtgeversauteursrecht op een model hoeft het model naar Benelux-recht niet te voldoen aan de vereisten voor bescherming van een model (nieuwheid en eigen karakter), maar is voldoende dat het te beschermen werk als model wordt beschouwd (het uiterlijk van een voortbrengsel of een deel ervan vormt).

Volgens Esschert Design, een groothandel in tuinaccessoires, maakte concurrent S&S met de door haar verkochte vuurkorf (inclusief verpakking en wikkel) inbreuk op het auteursrecht op een vuurkorf van Esschert. Het hof stelde Esschert in het gelijk. S&S kwam van dit oordeel in cassatie.

Werkbegrip auteursrecht geharmoniseerd, ook bij modellen

Het hof had het geschil beoordeeld aan de hand van een Europeesrechtelijk werkbegrip. Volgens S&S was dit onjuist, omdat het hier om het auteursrecht op modellen (werken van toegepaste kunst / industriële vormgeving) gaat, waar de Modellenrichtlijn en de Gemeenschapsmodellenverordening (GModVo) op van toepassing zijn. Die Europese regelgeving laat de lidstaten vrij om te bepalen in welke mate een model auteursrechtelijk wordt beschermd. Daarom zou het hof een nationaalrechtelijk (Nederlands) werkbegrip hebben moeten toepassen, klaagde S&S.

De klacht strandt erop dat het het auteursrechtelijke werkbegrip ook voor werken van toegepaste kunst is geharmoniseerd, aldus de Hoge Raad. Er is dus geen verschil tussen het Europese en het Nederlandse werkbegrip, ook niet voor modellen:

“4.1.2 Art. 17 Modellenrichtlijn en art. 96 lid 2 GModVo laten de lidstaten vrij om te bepalen of en, zo ja, in hoeverre een model auteursrechtelijk wordt beschermd. In de jaren die op de inwerkingtreding van deze Europese regelgeving zijn gevolgd, heeft het HvJEU evenwel in een reeks van uitspraken, te beginnen met HvJEU 16 juli 2009, ECLI:NL:XX:2009:BJ3749, NJ 2011/288 (Infopaq), het auteursrechtelijke werkbegrip geharmoniseerd. Dat is geschied in het kader van de uitleg van art. 2, onder a, van [de Auteursrechtrichtlijn]. Zoals vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.5, houden de relevante richtlijnen die betrekking hebben op het auteursrecht, waaronder de Auteursrechtrichtlijn, geen beperkingen in wat betreft de soorten werken waarop zij betrekking hebben en zonderen zij modellen of werken van toegepaste kunst niet uit van hun werkingssfeer. Dat betekent dat de vrijheid die de Europese regelgever in de meerbedoelde bepalingen van de Modellenrichtlijn en de GModVo aan de nationale rechtsstelsels heeft willen overlaten, door de bedoelde rechtspraak van het HvJEU is beperkt. Dat wordt bevestigd in het arrest van het HvJEU van 27 januari 2011, C-168/09, ECLI:NL:XX:2011:BP3418 (Flos/Semeraro), dat in punt 34 voor de vatbaarheid voor auteursrechtelijke bescherming van niet-ingeschreven modellen verwijst naar met name de Auteursrechtrichtlijn, ‘voor zover aan de toepassingsvoorwaarden hiervan is voldaan’.”

Dit oordeel sluit aan bij de overwegingen van de Hoge Raad eerder dit jaar in Stokke/H3 Products (CB 2013-37), met name r.o. 3.4 onder (a)-(b).

Het auteursrecht van de opdrachtgever van het ontwerp van een model

Vervolgens klaagde S&S over het oordeel van het dat Esschert als auteursrechthebbende van de vuurkorf had te gelden. De vuurkorf was niet door (een werknemer van) Esschert zelf ontworpen, maar door een opdrachtnemer. Nu kent de Auteurswet geen bijzondere regeling voor werken die in opdracht zijn vervaardigd. In het “gewone” auteursrecht is de opdrachtnemer dus niet alleen feitelijk, maar ook juridisch gezien de maker, en dus de auteursrechthebbende. Dat recht kan hij wel overdragen aan zijn opdrachtgever, maar daar was in deze zaak niets over komen vast te staan. In het modellenrecht (art. 3.8 lid 2 BVIE) geldt echter de opdrachtgever van het ontwerp van het model als ontwerper (tenminste, bij “gebruik in handel of nijverheid van het voortbrengsel waarin de tekening of het model is belichaamd”). Nu is bovendien een uitgangspunt van het BVIE om auteursrecht en modellenrecht in één hand te houden. Art. 3.29 BVIE bepaalt in dat verband dat de ontwerper-opdrachtgever de auteursrechthebbende is, en niet de opdrachtnemer.

Het hof had in deze zaak vastgesteld dat de vuurkorf een model was, en dat daarom opdrachtgever Esschert als ontwerper en dus ook als auteursrechthebbende moest worden aangemerkt. S&S klaagde hierop eerst dat de vuurkorf geen model was, omdat volgens art. 3.1 lid 1 BVIE een model wordt beschermd voor zover de tekening of het model nieuw is en een eigen karakter heeft. Daar had het hof niets over vastgesteld. Het had geoordeeld dat de vuurkorf een model was in de zin van art. 3.1 lid 2 BVIE, waarin een model is gedefinieerd als “het uiterlijk van een voortbrengsel of een deel ervan”. Dat laatste is volgens de Hoge Raad echter ook het juiste criterium (r.o. 4.2.2):

“Voor toepassing van art. 3.29 in verbinding met art. 3.8 BVIE is evenwel niet vereist dat sprake is van een voor bescherming in aanmerking komend model als bedoeld in art. 3.1 lid 1 BVIE, maar is voldoende dat het voortbrengsel een (tekening of) model is in de zin van art. 3.1 lid 2 BVIE, dus ‘het uiterlijk van een voortbrengsel of een deel ervan’ vormt.”

Vervolgens stelde S&S nog aan de orde dat de GModVo (art. 14) alleen de regeling kent dat de werkgever modellenrechthebbende wordt, en niet (zoals het BVIE) een regeling waarin de opdrachtgever als ontwerper heeft te gelden. Maar dat is niet relevant, volgens de Hoge Raad (r.o. 4.2.3), omdat het in deze zaak niet gaat over een inbreuk op een (gemeenschaps)modellenrecht, maar op een auteursrecht. Mede gelet op art. 96 lid 2 GModVo, dat luidt:

“Een model dat wordt beschermd door een Gemeenschapsmodel, kan tevens worden beschermd door het auteursrecht van lidstaten vanaf de datum waarop het model is gecreeerd of in vorm is vastgelegd. Elke lidstaat bepaalt de omvang en de voorwaarden van die bescherming, met inbegrip van het vereiste gehalte aan oorspronkelijkheid.”

leidt

“[d]e omstandigheid dat uit kracht van de GModVo een ander modelrechthebbende kan zijn dan de naar nationaal (Benelux)recht auteursrechthebbende, […] gelet alleen al op art. 96 lid 2 GModVo, evenmin tot een conflict van regels waarin de Benelux-regeling moet wijken voor de Unierechtelijke.”

Spoedeisendheid nevenvorderingen hoefde niet afzonderlijk te worden getoetst

Ten slotte voerde S&S nog aan dat de nevenvorderingen – opgave van de wederverkopers, aantallen en voorraad, de terugname van de voorraad en de vernietiging van die voorraad – in dit kort geding door het hof afzonderlijk op spoedeisendheid hadden moeten worden getoetst. Zeker gelet op het onomkeerbare karakter ervan, hadden de nevenvorderingen niet zomaar mogen “meeliften” op de spoedeisendheid van de hoofdvordering.

Ook hier wil de Hoge Raad niet aan (r.o. 4.3.2). De enkele omstandigheid dat toewijzing van een vordering in kort geding, of het nu een hoofd- of nevenvordering is, tot een onomkeerbare schade of andere onomkeerbare gevolgen leidt, hoeft geen beletsel te zijn voor toewijzing. De enkele onomkeerbaarheid staat daarom niet in de weg aan de toepassing van de hoofdregel dat als de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te kunnen worden beoordeeld, de proceseconomie ermee gebaat is dat in hetzelfde geding ook over een daarmee nauw verwante nevenvordering kan worden beslist (HR 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1522). A-G Hammerstein concludeerde op dit punt dat nauwe verwantschap niet kon worden aangenomen, omdat het toegewezen inbreukverbod de (zelfstandige) spoedeisendheid van die nevenvorderingen op een negatieve wijze kan beïnvloeden (conclusie onder 2.50). De Hoge Raad volgt de conclusie niet, maar oordeelt dat het hof de nauwe verwantschap mocht aannemen, nu:

“het bij deze nevenvorderingen voorts gaat om maatregelen die, naar het hof overwoog, ertoe strekken te bewerkstelligen dat verdere inbreuken op het auteursrecht uitblijven – en die derhalve ter versterking van het opgelegde inbreukverbod dienen – en S&S die vorderingen voor het overige inhoudelijk niet had betwist”.

De Hoge Raad verwerpt dan ook het beroep, met veroordeling van S&S in de tussen partijen afgesproken 1019h Rv-proceskosten van € 12.500 plus griffierecht (wat voor een IE-cassatiezaak relatief bescheiden is).

Share This