Selecteer een pagina

HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603

Onzekerheid over de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon staat niet aan aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW in de weg. Deze juridische beoordeling ziet echter niet op de kennis en het inzicht die nodig zijn om de deugdelijkheid van een geleverde prestatie te beoordelen. Ontbreken daarvan kan betekenen dat de benadeelde nog onvoldoende zekerheid heeft dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon.

De casus

In 1997 heeft eiser zijn onderneming verkocht en wilde hij emigreren. Hij heeft verweerster om advies gevraagd over hoe hij dit kon doen met een zo laag mogelijke belastingdruk. Een adviseur van verweerster heeft eiser geadviseerd om naar Zwitserland te emigreren. De adviseur heeft ook de mogelijkheid onderzocht van verplaatsing van eisers vennootschappen naar onder meer Malta. In 1999 is eiser geëmigreerd naar Zwitserland. De feitelijke leiding van zijn vennootschappen is verplaatst naar Malta. In 2000 en 2001 hebben de vennootschappen in totaal bijna NLG 24 miljoen aan dividend uitgekeerd. Verweerster heeft de aangiften dividendbelasting verzorgd. Zij heeft het standpunt ingenomen dat de vennootschappen op grond van het Belastingverdrag Nederland-Malta geen dividendbelasting verschuldigd waren.

De inspecteur heeft de adviseur van eiser in 2005 laten weten dat en waarom hij het standpunt dat geen dividendbelasting verschuldigd was, niet deelde. De inspecteur heeft naheffingsaanslagen opgelegd vanwege het niet afdragen van dividendbelasting over de door de vennootschappen in 2000 en 2001 uitgekeerde dividenden. Ook zijn aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd over de jaren 2000 tot en met 2003.

Eiser heeft tegen de aanslagen bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft in 2008 beslist op de bezwaarschriften en daarbij de naheffingsaanslagen voor de dividendbelasting verlaagd en de aanslagen vennootschapsbelasting gehandhaafd. Op het beroep tegen deze beslissingen van de inspecteur heeft de rechtbank de naheffingsaanslagen dividendbelasting gehandhaafd en de aanslagen vennootschapsbelasting deels gehandhaafd. In augustus 2012 heeft verweerster eiser geschreven:

“(…) Zoals hiervoor aangegeven, lijkt dit niet het moment energie te steken in een discussie aangaande de uitkomst van een procedure(s) die momenteel aan het oordeel van de rechter is onderworpen en ten aanzien waarvan wij vertrouwen hebben in een goede uitkomst voor u. Om die reden richten wij ons dan ook graag op de nabije toekomst, meer specifiek de procedures zelf. (…) Het opschorten van de betaling van de openstaande nota (althans de helft) accepteren wij voor dit moment ook om ons goed vertrouwen in de uitkomst van de zaken te tonen. (…) Tot slot rest ons de wens uit te spreken dat de bestaande relatie die wij als zeer prettig ervaren ongewijzigd kan voortduren om zo te komen tot het beste eindresultaat namelijk het winnen van (het merendeel) van de procedures en het daarmee aantonen van de juistheid van de eerdere advisering waarop u uw acties heeft gebaseerd en de bestaande structuur tot stand is gekomen.”

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank over de belastingaanslagen bekrachtigd. De Hoge Raad heeft het daartegen gerichte cassatieberoep in 2015 verworpen. Verweerster heeft eiser bijgestaan in de fiscale procedures. Bij brief van 8 oktober 2015 heeft eiser verweerster aansprakelijk gesteld vanwege ondeugdelijk belastingadvies.

De onderhavige zaak in de feitelijke instanties

De rechtbank en het hof hebben de vordering van eiser vanwege verjaring afgewezen. Het hof overwoog over de aanvang van de verjaringstermijn dat eiser door de naheffingsaanslagen in 2005 bekend werd dat de inspecteur de standpunten van verweerster niet deelde en dat die aanslagen moesten worden betaald, tenzij eiser in bezwaar of beroep alsnog in het gelijk zou worden gesteld. Op dat moment was eiser volgens het hof bekend met de (mogelijkheid van) schade en met degene die hij daarvoor verantwoordelijk hield (verweerster). Eisers betoog dat hij pas na de uitspraak van het hof, althans van de rechtbank, in de belastingprocedure voldoende zekerheid had dat de schade (mede) is veroorzaakt door de ondeugdelijke belastingconstructie had volgens het hof betrekking op de juridische beoordeling van de van belang zijnde en bij eiser bekende feiten, namelijk of sprake is geweest van een advies waartoe een redelijk handelend en redelijk bekwaam belastingadviseur niet had kunnen komen. De verjaringstermijn was daarom al in 2005 gaan lopen, aldus het hof.

De Hoge Raad

Eiser klaagt in cassatie over het oordeel van het hof dat onbekendheid met de juridische beoordeling van de van belang zijnde en bekende feiten niet wegneemt dat de verjaringstermijn aanvangt. Deze klacht slaagt.

De Hoge Raad overweegt eerst dat art. 3:310 lid 1 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Het gaat daarbij om een daadwerkelijke bekendheid. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is volstaat dus niet. De Hoge Raad memoreert vervolgens dat de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW pas begint te lopen als de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot schadevergoeding in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het geval.

Vervolgens gaat de Hoge Raad in op het geval dat juridische kennis of inzicht nodig is om te kunnen beoordelen of sprake is van een ondeugdelijk prestatie:

“Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat onbekendheid met of onzekerheid over de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, niet aan aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW in de weg staat. Deze juridische beoordeling ziet niet op de kennis en het inzicht die nodig zijn om de deugdelijkheid van een geleverde prestatie te beoordelen, anders dan uit eerdere uitspraken van de Hoge Raad zou kunnen worden afgeleid. Het ontbreken van deze kennis of dit inzicht kan immers betekenen dat de benadeelde nog onvoldoende zekerheid heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Evenals de juiste kennis of het juiste inzicht kan ontbreken ten aanzien van de ondeugdelijkheid van bijvoorbeeld medisch handelen, kan dat het geval zijn ten aanzien van het handelen van bijvoorbeeld een fiscaal of juridisch dienstverleners. Bij de beantwoording van de vraag op welk moment de benadeelde voldoende zekerheid heeft verkregen (…) kan van belang zijn dat de benadeelde in zijn verhouding tot de aangesprokene mocht vertrouwen op diens deskundigheid en dat hij in verband daarmee (nog) geen reden had om te twijfelen aan de deugdelijkheid van diens handelen. Daarbij kan verder van belang zijn dat de aangesproken partij andere, niet in haar risicosfeer liggende, oorzaken voor het opgetreden nadeel heeft genoemd of anderszins aan de benadeelde geruststellende mededelingen heeft gedaan over de door haar verrichte prestatie of het daardoor te verwachten nadeel. Onder omstandigheden kan een benadeelde dan ook pas geacht worden voldoende zekerheid te hebben dat hij schade heeft geleden als gevolg van tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon, wanneer hij kennis heeft gekregen van een juridisch advies of een rechterlijk oordeel.”

In het licht hiervan oordeelt de Hoge Raad dat het hof niet voorbij had mogen gaan aan het betoog van eiser dat hij, gelet op de door verweerster gedane geruststellende mededelingen, na het standpunt van de inspecteur nog niet voldoende zekerheid had dat verweerster was tekortgeschoten in de nakoming van haar opdracht.

Afdoening

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam. Deze afdoening is conform de conclusie van A-G Valk.

Share This