Selecteer een pagina

HR 17 april 2020 ECLI:NL:HR:2020:717

Voor een geslaagd beroep op bedrog of dwaling is niet beslissend of de onjuiste mededelingen dan wel verzwegen feiten de kern van de overeenkomst betreffen. Beslissend is of de onjuiste voorstelling van zaken waarvan bij bedrog en dwaling sprake is, ertoe heeft geleid dat de partij die zich op het wilsgebrek beroept, een overeenkomst is aangegaan die zij bij een juiste voorstelling van zaken niet, of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan.

Deze zaak draait om een bedrijfspand van € 2,4 miljoen dat eisers tot cassatie (namens hun vennootschap) van verweerster in cassatie hebben gekocht. Eisers hebben zich naast de vennootschap in een akte inzake hoofdelijke aansprakelijkheid (hierna: “akte“) hoofdelijk verbonden voor voldoening van de helft van de koopprijs. Tussen partijen is ook een geldleningsovereenkomst gesloten voor het bedrag van € 1,2 miljoen, met daarin regels over de rente en de directe opeisbaarheid. De vennootschap heeft het bedrijfspand verhuurd aan een door verweerster aangedragen huurder. Deze huurder was aanvankelijk een gegadigde koper voor het pand. Op enig moment heeft deze huurder niet meer aan haar betalingsverplichtingen voldaan, waarna eisers ook niet meer aan hun verplichtingen jegens verweerster konden voldoen. Verweerster heeft daarop deze procedure tegen eisers geïnitieerd en betaling gevorderd van de geldlening en de rente.

Eisers voeren verweer tegen deze vordering met een beroep op de vernietigbaarheid van de akte op de grond dat deze tot is gekomen door bedrog of dwaling. Volgens eisers heeft verweerster – in de wetenschap dat eisers het pand niet zouden willen en kunnen kopen zonder goede huurder – een huurder aangedragen waarvan zij wist dat dit geen solvabele en betrouwbare partij was. Verweerster heeft het daarnaast doen voorkomen alsof zij, optredend als makelaar voor een ander, slechts als verkoper optrad, terwijl verweerster niet aan eisers kenbaar heeft gemaakt dat zij niet langer makelaar was en een direct financieel belang had bij de verkoop van het pand. In conventie beroepen eisers zich (i) op de vernietigbaarheid van (onder meer) de akte en (ii) stellen zij dat toewijzing van de vorderingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In reconventie vorderen eisers (i) vernietiging van de akte op grond van bedrog of dwaling en (ii) een verklaring voor recht dat verweerster onrechtmatig heeft gehandeld.

Het hof heeft in zijn tussenarrest overwogen dat het beroep op vernietigbaarheid moet falen, omdat de onjuiste mededelingen en/of verzwegen feiten niet de kern van de gesloten overeenkomst betreffen. Dat neemt niet weg dat verweerster onrechtmatig kan hebben gehandeld en dat daarin een grondslag gelegen kan zijn voor het verweer in conventie dat het beroep van verweerster op de akte van hoofdelijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, en de in reconventie gevorderde schadevergoeding. Het hof laat eisers toe tot het leveren van bewijs dat verweerster onrechtmatig heeft gehandeld. In zijn eindarrest oordeelt het hof dat eisers in dat bewijs zijn geslaagd, zodat de aanspraak van verweerster op grond van de hoofdelijke verbondenheid van eisers naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is voor zover deze meer dan de helft van de vordering behelst. Het hof vernietigt het vonnis in conventie voor zover de volledige vordering is toegewezen, omdat het hof de vordering slechts voor de helft toewijst. Het hof bekrachtigt het vonnis in reconventie, omdat het hof in het tussenarrest het beroep op de vernietigbaarheid van de akte heeft verworpen en de vordering op die grondslag berust.

In cassatie klagen eisers dat het hof hun beroep op bedrog en dwaling alsmede hun op onrechtmatige daad gebaseerde vordering in reconventie op onjuiste gronden heeft afgewezen.

Dwaling en bedrog

In cassatie wordt succesvol geklaagd over het afwijzende oordeel van het hof ten aanzien van de dwaling en het bedrog. Betoogd is dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door van beslissende betekenis te achten of de onjuiste mededelingen c.q. verzwegen feiten “de kern van de akte” betreffen. De Hoge Raad overweegt als volgt:

“3.1.2 […] Beslissend is of de onjuiste voorstelling van zaken waarvan bij bedrog en dwaling sprake is, ertoe heeft geleid dat de partij die zich op het wilsgebrek beroept, een overeenkomst is aangegaan die zij bij een juiste voorstelling van zaken niet, of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan.3 Ook onjuiste mededelingen of verzwegen feiten die niet de kern van de overeenkomst betreffen, kunnen ertoe hebben geleid dat een partij die overeenkomst is aangegaan onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken, en kunnen aldus een beroep op bedrog of dwaling rechtvaardigen. Het oordeel van het hof berust dan ook op een onjuiste rechtsopvatting.”

Het hof had moeten onderzoeken of eisers de akte zijn aangegaan onder invloed van een door verweerster teweeggebrachte onjuiste voorstelling van zaken over de geschiktheid van de huurder en over de hoedanigheid en het financiële belang van verweerster bij verkoop van het pand. Dat zal het hof na verwijzing moeten doen.

Bekrachtiging in reconventie

Eisers klagen voorts over de bekrachtiging van het hof van het vonnis in reconventie. Met die bekrachtiging heeft het hof miskend dat eisers in reconventie ook een verklaring voor recht dat onrechtmatig is gehandeld en schadevergoeding hebben gevorderd. Deze klacht acht de Hoge Raad ook gegrond (r.o. 3.2.2). In de bekrachtiging door het hof van het vonnis in reconventie ligt besloten dat de door eisers in reconventie gevorderde verklaring voor recht is afgewezen. De verwerping van het beroep op vernietigbaarheid van de overeenkomst op grond van bedrog of dwaling kan deze afwijzing echter niet dragen, omdat eisers in hun stellingen (ook) zijn uitgegaan van onrechtmatig handelen naast bedrog of dwaling (en de grondslag van het onrechtmatig handelen dus niet uitsluitend op bedrog of dwaling berust, zie ook par. 2.30 van de conclusie van A-G Rank-Berenschot).

Maatstaven van redelijkheid en billijkheid

De Hoge Raad behandelt ten slotte een motiveringsklacht: onbegrijpelijk zou zijn dat het hof enerzijds oordeelt dat verweerster onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld door bewust een onjuiste voorstelling van zaken over de huurder en haar hoedanigheid te geven, maar anderzijds oordeelt dat eisers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de helft van het restant van de koopprijs. Deze klacht treft eveneens doel. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom toepassing van art. 6:248 lid 2 BW in het licht van de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden rechtvaardigt dat eisers hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de helft van het restant van de koopprijs (r.o. 3.3.2). Kennelijk had het hof moeten motiveren waarom toepassing van art. 6:248 lid 2 BW tot afwijzing van de helft van de vordering leidt, en niet tot afwijzing van de gehele vordering.

De Hoge Raad vernietigt de arresten van het hof ‘s-Hertogenbosch en verwijst het geding naar hof Arnhem-Leeuwarden.

Share This