Dossier: Insolventierecht


HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2577

De Hoge Raad bevestigt in deze kort gedingprocedure de uitleg in zijn arrest van 22 oktober 1940: handelingen van de curator die zijn verricht na vernietiging van het vonnis tot faillietverklaring, maar vóór of op de dag waarop aan het voorschrift tot aankondiging overeenkomstig art. 15 Fw is voldaan (kort gezegd: aankondiging dat de vernietiging onherroepelijk is geworden), blijven geldig en verbindend. (meer…)

HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2233

De bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden komt in beginsel alleen toe aan natuurlijke personen en rechtspersonen. Een uitzondering hierop valt uitsluitend aan te nemen als daartoe een bijzondere grond bestaat, zoals in het geval dat de wet een orgaan van een rechtspersoon uitdrukkelijk procesbevoegdheid toekent. Voor het aannemen van procesbevoegdheid is ontoereikend dat de wet het orgaan vertegenwoordigingsbevoegdheid toekent, al dan niet in rechte. (meer…)

HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2286

In de overweging dat verzoeker niet duidelijk heeft gemaakt “wat er precies met hem aan de hand is” ligt besloten dat van verzoeker kon worden gevergd dat hij zou verklaren, waarom zijn ziekte eraan in de weg stond dat hij – eventueel met behulp van derden – (alsnog) aan zijn verplichtingen voldeed (vgl. HR 20 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8310, NJ 2006/572). Het hof heeft dan ook terecht en voldoende begrijpelijk gemotiveerd de schuldsaneringsregeling (WSNP) tussentijds beëindigd. (meer…)

HR 23 september 2016 – ECLI:NL:HR:2016:2171

(1) Bij de beoordeling van de vraag of een vennootschap over voldoende vrije reserves beschikt voor een tussentijdse dividenduitkering in de zin van art. 2:216 BW (oud) dienen de vastgestelde jaarrekeningen tot uitgangspunt. De enkele omstandigheid dat geen definitieve jaarrekening is of zal worden vastgesteld brengt niet mee dat die uitkering en het daaraan ten grondslag liggende besluit ingevolge art. 2:216 lid 4 jo. lid 2 BW (oud) nietig zijn. (2) Ook indien het dividendbesluit op zichzelf voldoet aan hetgeen art. 2:216 lid 2 BW (oud) voorschrijft, kunnen de omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat de bij de tussentijdse uitkering betrokken aandeelhouders en bestuurders van de vennootschap onrechtmatig hebben gehandeld jegens de schuldeisers van die vennootschap. (meer…)

HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1294

Van tijdens het faillissement ontstane rentevorderingen die gedurende het faillissement niet opeisbaar zijn, begint de in art. 3:308 BW bedoelde verjaring niet gedurende het faillissement te lopen. (meer…)

HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1311

(1) De omstandigheid dat in cassatie bij vergissing de bewindvoerder niet mede is gedagvaard, leidt in dit geval niet tot niet-ontvankelijkheid. Eiseres mag de bewindvoerder op grond van art. 118 Rv alsnog oproepen. (2) Kantoorbetekening op grond van art. 63 Rv is ook mogelijk bij het oproepen van curatoren en bewindvoerders in de zin van art. 52 Rv. (meer…)

Cassatieblog.nl