Selecteer een pagina

Alle berichten met de tag: huurovereenkomst


HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:587

De Hoge Raad komt deels terug van zijn prejudiciële beslissing van 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1799. In geval van een buitengerechtelijke ontbinding van een huurovereenkomst op de voet van art. 7:231 lid 2 BW, dient de rechter niét aan de hand van de maatstaven van art. 6:265 lid 1 BW te beoordelen of de ontbinding stand houdt. De rechter dient daarentegen te beoordelen of de ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW) en of de verhuurder zijn bevoegdheid tot ontbinding heeft misbruikt (art. 3:13 BW). (meer…)

HR 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:389

De opschortingsbevoegdheid van art. 6:262 lid 1 BW geldt ook voor partijen bij een huurovereenkomst. Daarbij staan de verplichtingen tot het verschaffen van huurgenot en tot het betalen van de huur tegenover elkaar. Dat ontbinding van een huurovereenkomst met betrekking tot een gebouwde onroerende zaak enkel door de rechter kan geschieden, staat niet aan opschorting door de verhuurder in de weg. (meer…)

HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1071

Art. 6:265 lid 1 BW is van aanvullend recht. Het staat partijen in beginsel vrij om daarvan bij overeenkomst af te wijken. Dat hebben partijen in dit geval gedaan met art. 12 van de huurovereenkomst. Of de ontbinding van die overeenkomst doel treft moet daarom aan de hand van dat artikel worden beoordeeld. (meer…)

HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:822

Bij de uitleg van een vaststellingsovereenkomst moet de rechter acht slaan op alle relevante omstandigheden het geval, inclusief omstandigheden rondom een andere, maar aanverwante overeenkomst. Een partij kan de bindende kracht van een bindend advies aantasten als gebondenheid hieraan in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat kan bijvoorbeeld bij een schending van hoor en wederhoor het geval zijn. (meer…)

HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:804

De vaststelling dat de eiser (van een vordering als bedoeld in art. 7:268 BW) onvoldoende waarborgt biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur, vergt inzicht in diens financiële positie. Daarom kan in de regel van de eiser worden verlangd dat hij voldoende concrete gegevens verschaft over zijn inkomen en vermogen om zijn betwisting van de stelling van de verhuurder dat hij onvoldoende waarborg biedt te onderbouwen. (meer…)

Cassatieblog.nl