Dossier: Personen- en familierecht


HR 21 april 2017 ECLI:NL:HR:2017:766

De Hoge Raad bevestigt dat de maatstaf uit zijn eerdere rechtspraak over omgangsondertoezichtstelling ook na de wijziging van de wettelijke regeling geldt. Niet uitgesloten is dat met het ontbreken of het bestaan van een omgangsregeling aan de maatstaven voor ondertoezichtstelling is voldaan. Aan de motivering van de toewijzing van ondertoezichtstelling worden in een dergelijk geval wel hoge eisen gesteld. (meer…)

HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:693

De afstorting dient zodanig plaats te vinden dat de aanspraken van partijen op het pensioen in beginsel (zoveel mogelijk) in dezelfde mate zijn verzekerd. Dit brengt met zich dat indien op het tijdstip van scheiding onvoldoende kapitaal aanwezig is om én het aandeel van de vereveningsgerechtigde af te storten, én voldoende kapitaal in de vennootschap achter te laten om de pensioenaanspraak van de vereveningsplichtige te dekken, het tekort in beginsel zal moeten worden gedeeld. (meer…)

HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:756

Het begrip ‘kinderen die feitelijk behoren tot het gezin’ in art. 47 lid 1 Vreemdelingenbesluit (oud) ziet ook op de situatie dat een kind inwoont of intrekt bij zijn grootouder(s), en uit de feiten en omstandigheden volgt dat het kind en zijn grootouder(s) samen daadwerkelijk een gezin vormen. (meer…)

HR 24 maart 2017 ECLI:NL:HR:2017:487

Vraag of appelrechter voldoende kenbaar de voor het verzoek vervangende toestemming verhuizing relevante omstandigheden heeft meegewogen. Hoge Raad beantwoordt deze vraag bevestigend door middel van uitleg beschikking hof.

Uitgangspunt van de wet is dat ex-echtgenoten na echtscheiding het gezamenlijk gezag behouden over hun minderjarige kinderen. (meer…)

HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:570

Als in dit geval voor de toepassing van art. 14 EVRM sprake is van enig onderscheid tussen een minderjarige die ingevolge art. 4 lid 4 Rijkswet op het Nederlanderschap het Nederlanderschap niet van rechtswege heeft verkregen, en anderen, dan bestaat voor dat onderscheid een objectieve rechtvaardiging. (meer…)

HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:360

De door de Hoge Raad in HR 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) geformuleerde regel dat het kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop niet in aanmerking dienen te worden genomen bij de bepaling van de behoefte van het kind, maar bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt, geldt niet slechts ‘in beginsel’. Een zodanige beperking valt in deze prejudiciële beslissing niet te lezen. (meer…)

Cassatieblog.nl