Octrooiinbreuk door aankondiging van generiek geneesmiddel
HR 22 juni 2012, LJN BW4006 (Pharmachemie/Glaxo)
Het begrip “aanbieden” in art. 53 lid 1 ROW 1995 moet ruim worden opgevat. Het staat een geneesmiddelenproducent niet vrij om, nog voor het verstrijken van de geldigheidsduur van een octrooi op een bepaald geneesmiddel, bekend te maken dat hij op afzienbare termijn op de markt komt met een generieke variant daarvan. Een vordering tot vergoeding van proceskosten op de voet van art. 1019h Rv kan ook zonder tijdige specificatie worden toegewezen, als de wederpartij heeft laten weten geen opmerkingen te hebben over het (te laat) gespecificeerde bedrag. Lees meer…
NEN-normen: geen algemeen verbindende voorschriften, wel auteursrechtelijk beschermd
HR 22 juni 2012, LJN BW0393 (Knooble/Staat en NNI)
Waar NNI niet bij of krachtens de wet bevoegd is tot het vaststellen van algemeen verbindende regels, kunnen NEN-normen niet worden aangemerkt als algemeen verbindende voorschriften als bedoeld in art. 89 lid 4 Grondwet en art. 3 en 4 Bekendmakingswet, ook niet voor zover in de wetgeving daarnaar wordt verwezen. NEN-normen kunnen daarom evenmin gelden als “door de openbare macht uitgevaardigd” als in art. 11 Auteurswet bedoeld. Lees meer…
Het beschikken over een geldbedrag door een derde-beslagene
HR 15 juni 2012, LJN BW1726 (De Kerseboom/Ontvanger)
De beantwoording van de vraag of een derde-beslagene, ondanks de blokkering van haar rekening, op enig moment de beschikking over een geldbedrag heeft verkregen, hangt af van wat tussen de derde-beslagene en de bank gold in verband met de blokkering en de boeking van het geldbedrag op de “verschillenrekening”. Dat creditering van het geldbedrag op de rekening van de derde-beslagene is uitgebleven staat niet eraan in de weg dat deze de macht over de gelden kon uitoefenen: onder omstandigheden kan ook de macht over gelden worden uitgeoefend zonder dat de gelden op de bankrekening van de rekeninghouder zijn bijgeschreven. Lees meer…
Terughoudende maatstaf voor aansprakelijkheid bindend adviseur
HR 15 juni 2012, LJN BW0727 (Pricewaterhousecoopers/X)
Door bindend adviseurs gemaakte fouten kunnen pas tot hun aansprakelijkheid jegens (een van de) opdrachtgevers leiden of een gegrond verweer opleveren tegen hun vordering tot betaling van de overeengekomen vergoeding, als het in de verhouding van bindend adviseurs tot (een van de) opdrachtgevers in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn aan die fouten geen gevolgen ten nadele van de bindend adviseurs te verbinden. Een door de bindend adviseurs bedongen exoneratieclausule kan mede betrekking hebben op verplichtingen van de bindend adviseurs tot onpartijdigheid en inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor. Lees meer…
Uitspraak Hoge Raad over compensatie bij langdurig vertraagde vluchten aangehouden
HR 15 juni 2012 (LJN BW5514; BW5515; BW5516; BW5517; BW5518; BW5520; BW5521; BW5525)
De Hoge Raad houdt zijn uitspraken over compensatie voor reizigers bij vertraagde vluchten aan, nu is gebleken dat op korte termijn uitspraak is te verwachten van het HvJEU. Hij stelt de processtukken opnieuw in handen van de procureur-generaal voor het nemen van een aanvullende conclusie na de uitspraak van het HvJEU. Lees meer…
Verrekening van rendement op aandelen bij een niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding
HR 8 juni 2012, LJN ECLI:NL:HR:2012:BV9605
Bij beantwoording van de vraag of de waarde(stijging) van de aandelen die een echtgenoot heeft in een holding op de voet van art. 1:141 BW in de verrekening moet worden betrokken, is bepalend of de volstorting van die aandelen is gefinancierd door aanwending van inkomen of vermogen dat periodiek verrekend had moeten worden. Het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW heeft slechts betrekking op die vraag. De gestelde omstandigheid dat de waardestijging van de aandelen voornamelijk is toe te schrijven aan de arbeidsinspanning en ondernemerskwaliteiten van de aandeelhoudende echtgenoot geeft daarom geen aanleiding om dit bewijsvermoeden – met een beroep op de “tenzij-clausule” – buiten toepassing te laten. Die omstandigheid is evenmin grond om slechts een gedeelte van de waarde(stijging) van de aandelen voor de verrekening in aanmerking te nemen. Lees meer…
Exhibitieplicht art. 843a Rv geldt ook bij hoofdzaak buiten Nederland
HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8510 (Abu Dhabi Islamic Bank/ABN AMRO)
Een vordering tot exhibitie van bescheiden (art. 843a Rv) kan worden ingesteld hetzij in een lopend geding, hetzij in een afzonderlijk geding (vgl. HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7774). In het laatste geval is niet vereist dat over de rechtsbetrekking waaromtrent afgifte van bescheiden wordt gevraagd een procedure aanhangig is of zal worden gemaakt, en evenmin of een dergelijke procedure in Nederland zal worden gevoerd. Lees meer…
Beleidsvrijheid werkgever bij aanwijzing indirect personeel dat bij overgang concessie mee overgaat
HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0246 (X c.s./Veolia c.s.)
In art. 37 Wet personenvervoer (Wpv) ligt niet de eis besloten dat het verval van de arbeidsplaats van de individuele werknemer het directe gevolg dient te zijn van het verlies van de concessie. Lees meer…
Rolreglementen selectie aan de poort en prejudiciële vragen gepubliceerd
Per 1 juli 2012 treden de Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en de Wet versterking cassatierechtspraak in werking. Het nieuwe rolreglement voor de prejudiciële procedure en de aan art. 80a RO aangepaste procesreglementen voor de gewone cassatieprocedure in dagvaardings- en verzoekschriftzaken, zijn op 4 juni 2012 in de Staatscourant gepubliceerd. Lees meer…
Toepassing Haviltex-maatstaf op afspraken ongehuwde samenwoners zonder samenlevingscontract
HR 8 juni 2012, LJN BV9539
Partijen in deze zaak hebben ongehuwd samengewoond zonder een (schriftelijk) samenlevingscontract. De vraag of en welke afspraken zij hebben gemaakt over de interne draagplicht ten aanzien van hypotheekrente en premies levensverzekering moet worden beantwoord aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Daarbij komt betekenis toe aan door partijen stilzwijgend gemaakte afspraken en de tussen hen feitelijk gegroeide taakverdeling. Deze omstandigheden zijn ook relevant voor de vraag of de man de betaling van hypotheekrente en premies levensverzekering op zich heeft genomen ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw. Lees meer…