Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Besluit BDU verkeer en vervoer en daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving recht in de zin van art. 79 RO

CB 2017-152 Geplaatst op 17 aug 2017 door

HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1344

Het Besluit BDU verkeer en vervoer en de Uitvoeringsregeling en beleidsregel verkeer en vervoer zijn aan te merken als recht in de zin van art. 79 RO. De door het hof aan deze regelgeving gegeven uitleg is juist en begrijpelijk. Lees verder >

Aansprakelijkheid materieel werkgever bij onrechtmatige daad doorgeleende werknemer

CB 2017-151 Geplaatst op 17 aug 2017 door

HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1345 (J.M.V. Spoorwegveiligheid B.V./Zürich)

Indien een partij op grond van art. 6:170 lid 1 BW wordt aangesproken voor een fout van een ondergeschikte, dient de rechter – nu de werknemer in die procedure zelf geen partij is – de onrechtmatigheid van zijn handelen te beoordelen als ware de aansprakelijkheid van de werknemer zelf in het geding. Voor het aannemen van ondergeschiktheid is het bestaan van zeggenschap bij de aansprakelijk gehouden partij over de vraag of en op welke momenten de persoon die onrechtmatig heeft gehandeld werkzaamheden voor een bepaalde derde dient uit te voeren, in beginsel voldoende. Lees verder >

Kantoorbetekening blijft onder KEI mogelijk bij buitenlandse verweerders

CB 2017-150 Geplaatst op 10 aug 2017 door

HR 7 juli 2017 (HRC N.V./Verweerster), ECLI:NL:HR:2017:1278

De rechtspraak van de Hoge Raad over de kantoorbetekening op de voet van art. 63 Rv (HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:310) behoudt haar betekenis na inwerkingtreding van KEI. Het oproepingsbericht kan daarom worden betekend aan het kantoor van de advocaat waar de verweerder in vorige instantie woonplaats heeft gekozen, in gevallen waarin de verweerder een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in een lidstaat waar de Betekeningsverordening II van toepassing is (art. 115 lid 1 nieuw Rv) dan wel in een staat die partij is bij het Haags Betekeningsverdrag (art. 115 lid 2 nieuw Rv). Lees verder >

Onteigeningsrechter mag tardief aangeboden stukken niet zonder meer buiten beschouwing laten

CB 2017-149 Geplaatst op 10 aug 2017 door

HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1069 (Vado Properties Maastricht/Gemeente Maastricht)

De onteigeningsrechter heeft de taak om de schadeloosstelling voor onteigening zelfstandig vast te stellen, wat meebrengt dat de onteigeningsrechter zelf nader onderzoek moet doen als de gedingstukken daar aanknopingspunten voor bevatten. In een geval dat zulke aanknopingspunten bestaan mag hij een aanbod om stukken over te leggen niet als tardief buiten beschouwing laten. Lees verder >

Wachtgeldaanspraak werknemer na privatisering ABP in 1996

CB 2017-148 Geplaatst op 10 aug 2017 door

HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1135

De regeling dat een belanghebbende die als werknemer is ontslagen, op grond van art. 4 lid 1 Regeling Wachtgeld Uitkering bij Privatisering (hierna: ‘WUP’) recht heeft op wachtgeld, is van overeenkomstige toepassing op het personeel van de Stichting Pensioenfonds ABP. In de WUP zijn bepaalde artikelen van de Ontslaguitkeringsregeling ABP (hierna: ‘OUR’) van toepassing verklaard. Uit de overweging van het hof in de hoofdprocedure dat de werknemer in kwestie (alleen) aanspraak had op wachtgeld op grond van de WUP – en niet op grond van de OUR – mocht het hof in de schadestaatprocedure niet afleiden dat de in de WUP van toepassing verklaarde artikelen uit de OUR toepassing misten. Lees verder >

Overgangsbepaling bij wijziging art. 70 Sr niet van invloed op verjaring recht van executie straf ex art. 76 Sr

CB 2017-147 Geplaatst op 09 aug 2017 door

HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1146

De termijn van verjaring van de executie van een straf (art. 76 Sr) is verbonden met verjaring van het recht om tot strafvervolging over te gaan art. 70 Sr). De overgangsbepaling uit 1989 bij een wijziging van art. 70 Sr is echter niet van invloed  op termijn van art. 76 Sr. Lees verder >

Zwarighedenprocedure over verdeling nalatenschap

CB 2017-146 Geplaatst op 04 aug 2017 door

HR 23 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1137

1. Voor de waardering van het perceel is niet van belang dat dit ten tijde van het eindarrest niet meer tot de onverdeeldheid behoorde; 2. Het hof is buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door ambtshalve te oordelen dat verschuldigdheid van rente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Lees verder >

Hof treedt buiten de grenzen van de rechtsstrijd door de feitelijke grondslag van een vordering aan te vullen

CB 2017-145 Geplaatst op 03 aug 2017 door

HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1357

Het staat de rechter niet vrij zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering ten grondslag zijn gelegd. Lees verder >

Geen onderzoek merkbaarheid bij besluit met mededingingsbeperkende strekking

CB 2017-144 Geplaatst op 27 jul 2017 door

HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1354 (SGD, KNMvD / AGIB)

De Hoge Raad laat het voorlopig oordeel van het hof dat sprake is van een besluit van een ondernemersvereniging met mededingingsbeperkende strekking in stand. Wanneer de strekking van het besluit mededingingsbeperkend is, hoeft niet meer onderzocht te worden of de gevolgen de mededinging beperken. Ook een onderzoek naar de merkbaarheid van de mededingingsbeperking is dan niet nodig. Lees verder >

Wanneer verjaart de vordering op een rechtspersoon die na faillissement is opgehouden te bestaan?

CB 2017-143 Geplaatst op 27 jul 2017 door

HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1182 (Eiser/Rabobank)

Art. 2:23c lid 2 BW jo. art. 3:320 BW geeft een regel voor het tijdstip waarop een verjaringstermijn van een vordering op een rechtspersoon eindigt nadat die rechtspersoon is opgehouden te bestaan. Die regel veronderstelt dat een lopende verjaringstermijn in elk geval niet afloopt zolang de vereffening van de rechtspersoon niet is heropend ex art. 2:23c lid 1 BW. Dit brengt mee dat (i) heropening van de vereffening geen vereiste is voor het (voort)lopen van de verjaringstermijn dat (ii) een verjaringstermijn van een vordering op een niet meer bestaande rechtspersoon niet behoeft te worden gestuit gedurende de periode dat die rechtspersoon niet meer bestaat. Lees verder >