HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1156
Het hof heeft in strijd met art. 24 Rv de grondslag van het verweer van geïntimeerden aangevuld. (meer…)
Dossier: Verbintenissenrecht
HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1156
Het hof heeft in strijd met art. 24 Rv de grondslag van het verweer van geïntimeerden aangevuld. (meer…)
HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1168
De verjaringstermijn van drie jaren van art. 3:52 lid 1 onder d BW voor de vernietiging van een effectenleaseovereenkomst door een echtgenoot, begint zodra die echtgenoot daadwerkelijk bekend is met het bestaan van de overeenkomst. Kennis of begrip dat de echtgenoot de overeenkomst kan vernietigen is niet vereist. (meer…)
HR 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:901
Op 25 mei 2015 was het tweede pinksterdag en dat is een algemeen erkende feestdag. De respijttermijn zou daarom bij betekening op 20 mei 2015 van het verstek- en het verzetvonnis zijn geëindigd op 26 mei 2015; vanaf 27 mei 2015 zou de voormalige vennoot, indien hij toen nog niet volledig zou hebben nagekomen, dwangsommen hebben verbeurd. Het hof had moeten onderzoeken of de voormalige vennoot, bij betekening op 20 mei 2015, binnen de bij de betekening te vermelden termijn van drie werkdagen (dus op uiterlijk 26 mei 2015) aan de hoofdveroordeling zou hebben voldaan. (meer…)
Hoge Raad 4 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1082
Een inzittende van een auto waarmee een ongeval plaatsvindt, heeft ook recht op een uitkering door de WAM-verzekeraar als zij die verzekeraar eerder heeft misleid om de verzekering te krijgen. Die misleiding doet niet af aan het eigen recht op schadevergoeding van de benadeelde (art. 6 WAM). Jerre de Jong bespreekt de uitspraak in drie minuten.
Cassatievlog #138 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.
HR 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:727
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof op meerdere punten, omdat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden en zijn oordeel niet naar behoren heeft gemotiveerd.
HR 23 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:820
(i) Een proceskostenbeding in een huurovereenkomst, op grond waarvan de huurder die tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst alle gerechtelijke kosten moet betalen die de verhuurder maakt, is oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13/EG (hierna: de Richtlijn oneerlijke bedingen). Een dergelijk beding is daarom vernietigbaar.
(ii) Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) is niet met zekerheid af te leiden of de rechter vervolgens nog een proceskostenveroordeling op de voet van art. 237 e.v. mag uitspreken ten laste van de huurder. De Hoge Raad stelt hierover een prejudiciële vraag aan het HvJEU. (meer…)