Selecteer een pagina

HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1239 (De Vlaamse Waterweg/Perficio Shipping c.s. en EOC)

Als in verschillende verdragsstaten een rechtsgeding aanhangig is gemaakt, is het aan de scheepseigenaar overgelaten om de verdragsstaat te kiezen waar een verzoek tot fondsvorming op de voet van het Verdrag van Straatsburg inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart wordt gedaan.

De feiten

Perficio Shipping c.s. zijn eigenaar van het binnenvaartschip Perficio. Zij en hun schip zijn verzekerd bij EOC. Op 29 juni 2023 is de Perficio tegen de Humbeekbrug (een hefbrug over het Zeekanaal Brussel-Schelde) gevaren. Hierdoor is bij meerdere partijen aanzienlijke schade ontstaan.

Op 1 juli 2023 zijn Perficio Schipping c.s. aansprakelijk gesteld door onder andere de publiekrechtelijke beheerder van de Humbeekbrug, De Vlaamse Waterweg (DVW). DVW heeft op grond van de Belgische wetgeving op 5 juli 2023 bestuurlijk beslag gelegd op de Perficio.

Op 6 juli 2023 hebben Perficio Shipping c.s. en EOC op de voet van art. 642a Rv e.v. de rechtbank Rotterdam verzocht het bedrag vast te stellen waartoe hun aansprakelijkheid is beperkt en te bevelen dat wordt overgegaan tot een procedure ter verdeling van een te stellen fonds.

Op 12 juli 2023 heeft DVW Perficio Shipping c.s. gedagvaard voor de Ondernemingsrechtbank Brussel en gevorderd dat Perficio Shipping c.s. worden veroordeeld tot vergoeding van de aanvaringsschade en ook dat voor recht wordt verklaard dat Perficio Shipping c.s. niet gerechtigd zijn om hun aansprakelijkheid te beperken op de voet van het CLNI 2012.

Op 7 september 2023 heeft Sablo Scheepvaart Perficio Shipping c.s. gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam. Sablo Scheepvaart heeft gevorderd dat Perficio Shipping c.s. worden veroordeeld tot vergoeding van stilligschade door de stremming.

Op 20 oktober 2023 heeft de rechtbank het verzoek tot fondsvorming toegewezen.

Achtergrond

In deze zaak gaat het om de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is tot het vaststellen van een beperkingsfonds in de zin van art. 12 Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (het CLNI 2012). DVW heeft betoogd dat de rechtbank niet bevoegd was om te oordelen over het desbetreffende verzoek van Perficio Shipping en EOC, omdat in Nederland ten tijde van de indiening van dit verzoek, op 6 juli 2023, nog geen rechtsgeding tegen Perficio Shipping aanhangig was. Volgens DVW was de Belgische rechter daarom exclusief bevoegd om van het verzoek tot fondsvorming kennis te nemen. Het hof heeft dit verweer van DVW verworpen. DVW heeft tegen de beschikking van het hof cassatieberoep ingesteld.

De Hoge Raad

Ook volgens de Hoge Raad was de Nederlandse rechter bevoegd om kennis te nemen van het verzoek van Perficio Shipping c.s. tot fondsvorming.

De Hoge Raad stelt voorop dat het CLNI 2012 niet bepaalt op welke grondslag aan de rechter rechtsmacht toekomt. Die rechtsmacht moet daarom berusten op een buiten de CLNI 2012 gelegen grondslag. Art. 12 lid 1 CLNI 2012 brengt wel een beperking aan op de bevoegdheid van de rechter om een verzoek tot fondsvorming in te willigen. Dat kan alleen als in de verdragsstaat van de voor fondsvorming aangezochte rechter een rechtsgeding aanhangig wordt gemaakt, of aanhangig kan worden gemaakt, met betrekking tot voor beperking vatbare vorderingen.

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat uit art. 12 lid 1 CLNI 2012 niet volgt naar welk moment het verzoek tot fondsvorming beoordeeld moet worden. Dit betekent dat dit verzoek aan de hand van het nationale procesrecht beoordeeld moet worden. Naar Nederlands burgerlijk procesrecht geldt het uitgangspunt dat de rechter de toewijsbaarheid van een vordering of verzoek beoordeelt naar het moment van zijn uitspraak. Het hof heeft daarom in deze procedure terecht van belang geacht dat op het moment van de uitspraak van de rechtbank, 20 oktober 2023, een rechtsgeding als bedoeld in art. 12 lid 1 CLNI 2012 in Nederland aanhangig was. Sablo Scheepvaart had Perficio Shipping c.s. immers op 7 september 2023 gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam.

Bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van een verzoek tot fondsvorming is niet van belang in welke verdragsstaat als eerste een rechtsgeding aanhangig is gemaakt. Blijkens de tekst en strekking van art. 12 lid 1 CLNI 2012 is het aan de scheepseigenaar overgelaten om de verdragsstaat te kiezen waar zo’n verzoek wordt gedaan. Dit artikel stelt immers alleen als voorwaarde dat het fonds wordt ingesteld bij een verdragsstaat waar een rechtsgeding ‘aanhangig wordt gemaakt’, of – als geen rechtsgeding aanhangig wordt gemaakt – aanhangig kan worden gemaakt.

Afdoening

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Dat is in lijn met de conclusie van A-G Snijders.

Share This

Cassatieblog.nl