HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1888
Bij gebreke van een wettelijke bepaling over de vraag tot welk moment in de procedure een incidentele vordering tot voeging in cassatie uiterlijk kan worden ingesteld, wordt het tijdstip daarvoor bepaald door de eisen van een goede procesorde. Met het oog op een voortvarend verloop van de procedure in cassatie geldt daarbij als uitgangspunt dat een incidentele vordering tot voeging in cassatie tijdig is ingesteld indien dit gebeurt – ingeval de verweerder is verschenen – vóór of op de datum waarop de verweerder zijn verweerschrift moet indienen, dan wel – ingeval de verweerder niet is verschenen – vóór of op de datum waarop tegen de verweerder verstek wordt verleend.
Achtergrond
Z is een voormalig ouderling in een gemeente die behoort tot de Christelijke Gemeente van Jehova’s Getuigen in Nederland (CGJG). Ouderlingen van die gemeente hebben in 2019 een melding ontvangen dat X en Y in hun jeugd seksueel misbruikt zijn door Z. Op basis van de bevindingen van twee ouderlingen van de gemeente heeft CGJG in 2020 restricties aan Z opgelegd. Daarnaast hebben de ouderlingen de ouders van minderjarigen in de gemeente meegedeeld dat zij alert moeten zijn op contacten van hun kinderen met Z. De aan Z opgelegde restricties zijn in 2021 opgeheven. De informatie die is gegeven aan de gezinnen die zijn bezocht, is niet teruggenomen.
Z vordert in de hoofdzaak van dit geding, voor zover in cassatie van belang, (i) een verklaring voor recht dat CGJG onrechtmatig heeft gehandeld door hem ten onrechte als dader van kindermisbruik aan te hebben gemerkt, en (ii) een bevel dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente alle gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat Z geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor Z als kindermisbruiker. Het hof heeft deze vorderingen toegewezen.
CGJG heeft cassatieberoep ingesteld van het arrest van het hof. Tegen Z is verstek verleend. Daarna, bijna drie maanden later, hebben X en Y een incidentele vordering ingesteld om zich in cassatie te mogen voegen aan de zijde van CGJG.
Wat is voegen, kan dat in cassatie, en welke eisen gelden er?
Ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen (art. 217 Rv). Voeging houdt in dat een partij zich aansluit bij het standpunt van de partij aan wier zijde zij zich voegt. De voegende partij kan dit standpunt enkel ondersteunen (voor het instellen van een eigen vordering bestaat in beginsel de mogelijkheid van tussenkomst, maar niet in cassatie). Voegen is in de meeste zaken ook mogelijk in cassatie. Het is zelfs mogelijk dat voor het eerst in cassatie een vordering tot voeging wordt ingesteld. De aard van de cassatieprocedure verzet zich niet tegen voeging, wel is degene die zich voegt gebonden aan de rechtsstrijd in cassatie zoals die geldt tussen de oorspronkelijke partijen. De gevoegde partij moet zich dus houden aan de beperkingen van het cassatiedebat en kan bijvoorbeeld geen nieuwe feiten aanvoeren.
Voor het aannemen van het voor voeging vereiste belang is voldoende dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een voor de partij aan wier zijde zij zich wenst te voegen ongunstige uitkomst. Onder nadelige gevolgen moeten de feitelijke of juridische gevolgen worden begrepen die de in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen kunnen hebben voor degene die de voeging vordert. In mogelijke precedentwerking van die uitspraak is niet reeds een voldoende belang gelegen, ook niet als sprake is van sterk op elkaar gelijkende vorderingen of feitencomplexen tussen deels dezelfde partijen (zie ECLI:NL:HR:2025:1534, CB 2025-129).
Tot wanneer mag een vordering tot voeging in cassatie worden ingesteld?
Op grond van art. 415 lid 1 Rv dient een incidentele vordering tot voeging in cassatie te worden ingesteld bij conclusie. Art. 218 Rv, dat voor de procedure in eerste aanleg en – ingevolge art. 353 lid 1 Rv – voor de procedure in hoger beroep bepaalt dat de vordering tot voeging wordt ingesteld bij incidentele conclusie vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen, is in art. 418a Rv niet van overeenkomstige toepassing verklaard op de procedure in cassatie.
Nu de wet (dus) geen regeling bevat voor het moment tot wanneer een incidentele vordering tot voeging in cassatie uiterlijk kan worden ingesteld, vult de Hoge Raad die leemte in aan de hand van de eisen van een goede procesorde:
“Met het oog op een voortvarend verloop van de procedure in cassatie geldt daarbij als uitgangspunt dat een incidentele vordering tot voeging in cassatie tijdig is ingesteld indien dit gebeurt – ingeval de verweerder is verschenen – vóór of op de datum waarop de verweerder zijn verweerschrift moet indienen, dan wel – ingeval de verweerder niet is verschenen – vóór of op de datum waarop tegen de verweerder verstek wordt verleend.”
In dit geval verzet een goede procesorde zich niet tegen de latere voeging
X en Y hebben hun incidentele vordering tot voeging in cassatie bijna drie maanden later ingesteld dan het moment waarop tegen Z verstek was verleend. Dat is dus later dan het uitgangspunt dat de Hoge Raad in deze uitspraak geeft. Toch overweegt de Hoge Raad dat de eisen van een goede procesorde zich er in dit geval niet tegen verzetten dat deze vordering niettemin als tijdig ingesteld wordt beschouwd. Redengevend daarvoor is het ontbreken van eerdere rechtspraak van de Hoge Raad over het uiterste tijdstip waarop een incidentele vordering tot voeging in cassatie in een verstekzaak kan worden ingesteld.
De vordering tot voeging wordt toegewezen
X en Y hebben aan hun incidentele vordering tot voeging in cassatie aan de zijde van CGJG het volgende ten grondslag gelegd. Het hof heeft geoordeeld over de maatregelen die CGJG naar aanleiding van de verklaringen van X en Y heeft genomen, en heeft CGJG bevolen erin toe te stemmen en erop toe te zien dat het lichaam van ouderlingen van de gemeente alle gezinnen van die gemeente met minderjarige kinderen zal bezoeken om de ouders te vertellen dat Z geen kindermisbruiker is en dat het lichaam van ouderlingen ten onrechte de ouders heeft gewaarschuwd voor Z als kindermisbruiker. Bij naleving van dit rechterlijk bevel kan het beeld ontstaan dat X en Y geen slachtoffer zijn van seksueel kindermisbruik. In dit verband wijzen zij erop dat deze zaak zich afspeelt in een kleine en besloten gemeenschap waarin het aan iedereen bekend is wie X en Y zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat X en Y hun belang bij voeging aan de zijde van CGJG met dit betoog voldoende hebben onderbouwd. Aannemelijk is dat het door het hof aan CGJG opgelegde bevel nadelige gevolgen kan hebben voor X en Y, omdat uit de mededeling die over Z moet worden gedaan aan de gezinnen van de gemeente met minderjarige kinderen, zou kunnen worden afgeleid dat X en Y geen slachtoffer zijn van seksueel misbruik door Z, terwijl CGJG eerder de boodschap heeft uitgedragen dat wel sprake was van seksueel misbruik van X en Y door Z.
Beslissing
X en Y mogen zich in cassatie dus voegen aan de zijde van CGJG. Die beslissing is in lijn met de conclusie van A-G De Bock.