Selecteer een pagina

HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:57

Het oordeel van het hof dat eiseres zou deelnemen aan de zeilreis en als wederdienst een promotiefilm zou maken, is niet onbegrijpelijk, ook niet indien het ongeval eiseres overkwam bij het maken van de promotiefilm.

 Achtergrond

Eiseres tot cassatie heeft op 17 februari 2015 tijdens een door verweerder georganiseerde zeilreis een traumatische dwarslaesie opgelopen. Eiseres vordert in deze zaak jegens verweerder en diens aansprakelijkheidsverzekeraar, Achmea, een verklaring voor recht dat verweerder aansprakelijk is voor de schade die eiseres door de gebeurtenis op 17 februari 2015 heeft geleden. Daarnaast vordert zij een veroordeling van beide verweerders tot vergoeding van de schade die zij door het ongeval heeft geleden, op te maken bij staat.

De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Het hof heeft, voor zover in cassatie nog van belang, het vonnis bekrachtigd.

Belang van kwalificatie van rechtsverhouding

In cassatie staat de vraag centraal hoe de rechtsverhouding tussen partijen moet worden gekwalificeerd. Indien de rechtsverhouding wordt gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht (art. 7:400 BW), is de voor eiseres mogelijk gunstigere aansprakelijkheidsmaatstaf van art. 7:406 lid 2 BW van toepassing. Dit artikel bepaalt dat de opdrachtgever de opdrachtnemer de schade moet vergoeden die deze lijdt ten gevolge van de door hem niet toe te rekenen verwezenlijking van een aan de opdracht verbonden bijzonder gevaar. Het moet dan gaan om een bijzonder gevaar dat door (de uitvoering) van de opdracht in het leven wordt geroepen. Indien de opdrachtnemer handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, geldt de regel slechts indien dat gevaar de risico’s welke de uitoefening van dat beroep of bedrijf meebrengt te buiten gaat (art. 7:406 lid 2 BW).

Indien echter uitsluitend sprake is van een overeenkomst tot personenvervoer over zee (art. 8:500 BW), is art. 8:504 lid 5 BW van toepassing. Op grond van deze bepaling is de vervoerder slechts aansprakelijk indien het incident dat het verlies heeft veroorzaakt aan de schuld of de nalatigheid van de vervoerder is te wijten. De vervoerder moet zodoende – anders dan onder art. 7:406 lid 2 BW – een verwijt kunnen worden gemaakt. De stelplicht en bewijslast van de schuld of de nalatigheid rust op de benadeelde.

Het geding in cassatie

Eisers klaagt in cassatie dat het hof heeft miskend dat de kwalificatie van de rechtsbetrekking als overeenkomst van personenvervoer niet uitsluit dat daarnaast een overeenkomst van opdracht bestond of een gemengde overeenkomst tot stand was gekomen.

De klacht faalt, omdat deze volgens de Hoge Raad uitgaat van een verkeerde lezing van het hofarrest. Het hof heeft geoordeeld dat sprake was van een overeenkomst van personenvervoer, waarbij eiseres als wederdienst voor het personenvervoer een film zou maken. Eiseres zou dus in natura betalen door een promotiefilm te maken. Het hof was kennelijk van oordeel dat geen sprake was van een overeenkomst van opdracht of van een gemengde overeenkomst.

Eiseres klaagt verder dat het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd, omdat eiseres heeft aangevoerd dat het ongeval plaatsvond tijdens de uitvoering van de opdracht. Volgens eiseres is het onbegrijpelijk dat het hof niet is uitgegaan van een overeenkomst van opdracht, althans niet heeft beoordeeld of A als opdrachtgever jegens eiseres als opdrachtnemer aansprakelijk is.

Ook deze klacht faalt. Het hof heeft volgens de Hoge Raad aandacht besteed aan de stellingen van eiseres (i) dat de kenmerkende prestatie het maken van een promotiefilm was, (ii) dat het vervoer hieraan ondergeschikt was en (iii) dat sprake was van een overeenkomst van opdracht. Het hof heeft daarnaast echter ook gekeken naar de gemotiveerde betwisting door verweerders van de stelling van eiseres dat het partijen te doen was om het maken van een promotiefilm. Verweerders hebben deze betwisting gemotiveerd door aan te voeren dat eiseres graag met verweerder meewilde op een zeilreis. Het hof bij de beoordeling van die betwisting ook gekeken naar het feit dat verweerder en eiseres elkaar vriendschappelijk kenden en dat zij tijdens een ontmoeting in 2015 hebben gesproken over de reeds geplande zeilreis. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk, ook niet indien het ongeval eiseres overkwam bij het maken van de promotiefilm.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, conform de conclusie van A-G Snijders.

Share This

Cassatieblog.nl