Selecteer een pagina

HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:97

Het hof heeft op basis van een aantal omstandigheden geconcludeerd dat de exoneratie in art. 17.4 AV niet onredelijk bezwarend is. Deze oordelen van het hof geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn evenmin onvoldoende gemotiveerd.

Achtergrond

Deze zaak gaat over de aansprakelijkheid van een netbeheerder voor zaakschade. In november 2018 is in de meterkast van een woning brand ontstaan. Achmea heeft op basis van de brandverzekering van de bewoner € 158.188,98 aan de bewoner uitgekeerd. Achmea heeft vervolgens netbeheerder Stedin aansprakelijk gesteld voor de door Achmea vergoede schade. Stedin heeft de aansprakelijkheid betwist en heeft hierbij in het bijzonder een beroep gedaan op art. 17.4 van de Algemene Voorwaarden (hierna: AV). Dat artikel bepaalt onder andere dat, ongeacht de omvang van de totale schade, de totale vergoeding van (kosten ter voorkoming van) zaakschade is beperkt tot € 3.500.

De rechtbank heeft het beroep van Stedin op art. 17.4 AV gehonoreerd. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Exoneratiebeding onredelijk bezwarend?

Achmea stelt cassatieberoep in en komt onder andere op tegen het oordeel van het hof dat art. 17.4 AV niet onredelijk bezwarend is.

Artikel 6:233 sub a BW bepaalt dat een beding in de algemene voorwaarden vernietigbaar is indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Voor bedingen die op de ‘zwarte lijst’ van art. 6:236 BW staan, geldt dat zij zonder meer onredelijk bezwarend zijn. Voor bedingen die op de ‘grijze lijst’ van art. 6:237 BW staan, geldt een vermoeden dat zij onredelijk bezwarend zijn. Art. 17.4 AV wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn omdat deze bepaling de gebruiker van de algemene voorwaarden deels bevrijdt van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding (art. 6:237 sub f BW).

De Hoge Raad overweegt dat art. 6:233 BW in overeenstemming met Richtlijn 93/13/EG moet worden uitgelegd indien dat nodig is om aan de door het Unierecht gestelde eisen te voldoen. De zwarte en grijze lijst zijn van belang voor de beantwoording van de vraag of een beding onredelijk bezwarend is in de zin van art. 6:233, aanhef en onder a, BW. Rechters moeten in consumentenzaken ambtshalve onderzoeken of een beding onredelijk bezwarend is (zie HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, rov. 3.8.3, CB 2023-23).

De Hoge Raad vervolgt dat indien een beding op grond van art. 6:237 BW wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn, het aan de gebruiker van de algemene voorwaarden is om dit vermoeden te weerleggen. Welke onderbouwing van de stellingen van de gebruiker in dit verband kan worden verlangd, is volgens de Hoge Raad afhankelijk van de omstandigheden van het geval en van het partijdebat op dit punt. Daarmee falen de klachten van Achmea, voor zover die ervan uitgingen dat de gebruiker van een exoneratiebeding steeds zou moeten stellen en onderbouwen dat een minder vergaande beperking van de aansprakelijkheid niet mogelijk was, gelet op de tarieven en verzekeringsmogelijkheden van de gebruiker.

Het hof heeft gekeken naar verschillende (door Stedin aangevoerde) omstandigheden en geconcludeerd dat art. 17.4 AW niet onredelijk bezwarend is. Weliswaar was een minder vergaande beperking van de aansprakelijkheid (wellicht) mogelijk geweest, maar dit was volgens het hof op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een onevenredig bezwarend beding. Achmea heeft volgens het hof niet (met stukken) concreet gemaakt dat het huidige bedrag van schadevergoeding, gelet op de omstandigheden van dit geval, onredelijk bezwarend is. Dat kon wel van haar worden verwacht.

De Hoge Raad oordeelt dat uit dit oordeel geen onjuiste rechtsopvatting blijkt. Het oordeel is ook voldoende gemotiveerd. De stellingen waarop Achmea in cassatie een beroep doet zijn slechts algemeen en missen concrete onderbouwing. Zij hoefden daarom niet af te doen aan het oordeel van het hof dat art. 17.4 AV gelet op alle omstandigheden van dit geval niet onredelijk bezwarend is.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

Afwijkende conclusie A-G Hartlief

Het oordeel van de Hoge Raad wijkt af van de conclusie van A-G Hartlief. Volgens hem bleek uit het hofarrest niet dat het hof, bij de beoordeling of art. 17.4 AV onredelijk bezwarend is, voldoende gewicht heeft toegekend aan de mate waarin art. 17.4 AV de aansprakelijkheid van Stedin bij zaakschade beperkt. Verder mocht het hof volgens de A-G niet voorbijgaan een bewijsaanbod van Achmea over dit onderwerp. De door Achmea aangedragen omstandigheid dat een aanzienlijk minder vergaande beperking van de aansprakelijkheid mogelijk was geweest, was volgens de A-G namelijk wél relevant voor het oordeel over het onredelijk bezwarende karakter van art. 17.4 AV. De Hoge Raad lijkt dus echter minder zwaar te tillen aan deze meer algemene omstandigheid.

Share This

Cassatieblog.nl