Het gevaar van tegenstrijdige beslissingen brengt mee dat dat in geval van voeging of tussenkomst art. 140 lid 3 Rv eveneens geldt

Het gevaar van tegenstrijdige beslissingen brengt mee dat dat in geval van voeging of tussenkomst art. 140 lid 3 Rv eveneens geldt

HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:791

De strekking van art. 140 Rv brengt mee dat de regeling van art. 140 lid 3 Rv overeenkomstig wordt toegepast indien in eerste aanleg van voeging of tussenkomst sprake is geweest. Deze uitleg strookt met de toepasselijkverklaring (in art. 140 lid 4 Rv) van dit voorschrift in het geval dat op de voet van art. 118 Rv een derde als partij in het geding is opgeroepen. Lees meer…

Reikwijdte bewijsvermoeden artikel 1:141 lid 3 BW

Reikwijdte bewijsvermoeden artikel 1:141 lid 3 BW

HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:637

Het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW ziet uitsluitend op de vraag of het aanwezige vermogen al dan niet gefinancierd is uit hetgeen verrekend had moeten worden. Voor de vaststelling van de omvang van het te verrekenen vermogen op de peildatum gelden de gewone regels van stelplicht en bewijslast. Beschrijving van het te verrekenen vermogen hangende procedure terzake afwikkeling niet-uitgevoerd verrekenbeding. Miskenning devolutieve werking appel. Lees meer…

Burgerlijke rechter enkel gebonden aan oordeel bestuursrechter over rechtmatigheid besluit en niet aan inhoudelijke overwegingen

Burgerlijke rechter enkel gebonden aan oordeel bestuursrechter over rechtmatigheid besluit en niet aan inhoudelijke overwegingen

HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:738

Indien de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan over een besluit waarvan beroep bij hem openstaat, is de burgerlijke rechter gebonden aan het oordeel van de bestuursrechter over de rechtmatigheid van dat besluit. De burgerlijke rechter is bij de beoordeling van een geschilpunt dat niet de geldigheid van het besluit betreft niet gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel van de bestuursrechter over dat besluit. Lees meer…

De vermogensrechtelijke verhouding tussen informeel samenlevenden

De vermogensrechtelijke verhouding tussen informeel samenlevenden

HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707

De vermogensrechtelijke verhouding tussen informeel samenlevenden wordt niet bepaald door de regels die in de titels 6-8 van Boek 1 BW voor echtgenoten en geregistreerde partners zijn opgenomen en deze regels lenen zich ook niet voor overeenkomstige toepassing op de verhouding tussen informeel samenlevenden. In een dergelijke verhouding moet aan de hand van het algemene verbintenissenrecht worden beoordeeld of de ene partner een vergoedingsrecht jegens de andere partner geldend kan maken. Een vergoedingsrecht kan (ook) in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval voortvloeien uit de in art. 6:2 lid 2 BW bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid. Lees meer…

Wederpartij kan niet om aanvulling ex artikel 32 Rv verzoeken

Wederpartij kan niet om aanvulling ex artikel 32 Rv verzoeken

HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:699

Indien de rechter heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of het verzochte, kan op grond van artikel 32 lid 1 Rv worden verzocht om aanvulling van het vonnis, arrest of beschikking. Deze mogelijkheid staat uitsluitend ten dienste van de partij die de vordering heeft ingesteld of het verzoek heeft gedaan. Artikel 32 Rv is niet geschreven voor de wederpartij. Lees meer…

Vordering betreffende zakelijk recht in de zin van art. 24 lid 1 Brussel-I-bis

Vordering betreffende zakelijk recht in de zin van art. 24 lid 1 Brussel-I-bis

HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:668 

Voor toepassing van art. 24, aanhef en onder 1, Verordening Brussel I-bis is niet voldoende dat de vordering verband houdt met een zakelijk recht, maar is vereist dat de vordering is gebaseerd op een zakelijk recht en niet op een persoonlijk recht. Lees meer…

Moment van ontbinding huwelijksgemeenschap bepalend voor toepasselijkheid beperking gemeenschap van goederen

Moment van ontbinding huwelijksgemeenschap bepalend voor toepasselijkheid beperking gemeenschap van goederen

HR 19 april 2019 ECLI:NL:HR:2019:636

De datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap is beslissend voor het antwoord op de vraag of toepassing moet worden gegeven aan art. 1:100 lid 2 (nieuw) BW  bij vaststellen draagplicht echtgenoot voor de schulden van de andere echtgenoot en niet de datum van de verdeling van de gemeenschap. Lees meer…

Onderhandse akte heeft geen bewijskracht als de ondertekening daarvan stellig wordt ontkend

Onderhandse akte heeft geen bewijskracht als de ondertekening daarvan stellig wordt ontkend

HR 12 april 2019 ECLI:NL:HR:2019:572

Zolang niet bewezen is van wie de handtekening op een onderhandse akte afkomstig is en de ondertekening stellig wordt ontkend, komt aan de akte geen bewijskracht toe (zie art. 159 lid 2 Rv). De bewijslast van de echtheid van de ondertekening rust op degene die zich op het stuk beroept. Voor de toepassing van artikel 159 lid 2 Rv, worden naast een ‘stellige ontkenning’ geen verdere eisen gesteld. De ontkenner hoeft geen onderbouwing van zijn ontkenning te geven. Lees meer…

Het ter comparitie afzien van pleidooi laat onverlet het recht van partijen om in de comparitie stellingen toe te lichten ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zou nemen

Het ter comparitie afzien van pleidooi laat onverlet het recht van partijen om in de comparitie stellingen toe te lichten ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zou nemen

HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:569, ECLI:NL:HR:2019:571, ECLI:NL:HR:2019:567

Uit de omstandigheid dat met partijen ter comparitie uitdrukkelijk is besproken of zij pleidooi wensen en zij daarvan op dat moment hebben afgezien, kan niet worden afgeleid dat de werknemer afstand heeft gedaan van het aan hem toekomende recht om bij de comparitie zijn stellingen toe te lichten ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zou nemen. Lees meer…