Dossier: Verbintenissenrecht


HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:588

In deze zaak speelde de vraag of de notaris de op zijn kwaliteitsrekening gehouden (restant)koopsom voor een onroerende zaak moet uitkeren aan de verkoper omdat uit de narecherche bleek dat levering vrij en onbezwaard heeft plaatsgevonden, of aan de koper omdat daarna bleek dat de beoogde overdracht is mislukt door het ontbreken van een titel. Verder speelde de aansprakelijkheid van de notaris, die de opdracht gaf tot de uitbetaling van de restantkoopsom aan (de financier van) de koper, jegens de verkoper. (meer…)

HR 12 maart 2021 ECLI:NL:HR:2021:373

Als voor een woning in een complex van woningen meer of minder warmte hoeft te worden geleverd door (bijvoorbeeld) de ligging van de woning in het complex of vanwege de warmteafgifte die plaatsvindt via transportleidingen, mag daarmee rekening worden gehouden bij het bepalen van het voor die woning in rekening te brengen bedrag voor de levering van warmte. Dat beslist de Hoge Raad in deze zaak over de Warmtewet.  (meer…)

HR 4 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1954

Art. 6:88 lid 1, aanhef en onder a, BW bepaalt dat de tekortschietende schuldenaar aan de schuldeiser een redelijke termijn kan stellen om te laten weten welke van de hem ten dienste staande middelen hij wenst uit te oefenen. Maakt de schuldeiser geen keus, dan kan hij slechts aanspraak maken op de schadevergoeding waarop de tekortkoming recht geeft. Als de oorspronkelijke verbintenis van de schuldenaar aldus wordt omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding gaat die oorspronkelijke verbintenis teniet (art. 6:87 lid 1 BW). Als die verbintenis uit een wederkerige overeenkomst voortvloeit, blijft de schuldeiser gehouden zijn eigen prestatie te verrichten. Deze verbintenis ondergaat geen verandering. (meer…)

HR 19 februari 2021 ECLI:NL:HR:2021:274

De aanvang van de mediation in een grensoverschrijdend geschil kan op één lijn worden gesteld met de stuitingshandelingen genoemd in art. 3:316 BW. De verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling kan dan ook op de voet van art. 3:317 lid 2 BW worden gestuit door binnen zes maanden na een schriftelijke aanmaning de mediation aan te vangen.

Een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling moet worden ingesteld tegen alle partijen bij de rechtshandeling. De rechter die vaststelt dat dit niet is gebeurd, dient gelegenheid te geven om de niet opgeroepen partij alsnog in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv. Een dergelijke oproeping is ook nog mogelijk in het hoger beroep, de cassatie of de procedure na verwijzing en cassatie. (meer…)

HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:177

De rechter die vaststelt dat niet alle partijen bij de te vernietigen rechtshandeling in het geding zijn betrokken, moet gelegenheid geven om de niet opgeroepen partij alsnog in het geding te doen oproepen.  (meer…)

HR 29 januari 2021 ECLI:NL:HR:2021:153

De rechter die beoordeelt of een tussen partijen overeengekomen exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet daarbij alle omstandigheden van het geval betrekken en bovendien terughoudendheid betrachten. Dat het exoneratiebeding wordt ingeroepen ten aanzien van een tekortkoming die de kern van de overeenkomst betreft, en dat zolang die tekortkoming voortduurt de betekenis aan de overeenkomst komt te ontvallen, is dan ook niet zonder meer voldoende voor het oordeel dat een beroep op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.  (meer…)

Cassatieblog.nl