Selecteer een pagina

HR 30 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:667

(i) Dat bij de uitleg van een distributieovereenkomst door de rechter gebruik wordt gemaakt van een arrest dat deel uitmaakt van het Unierechtelijke mededingingsrecht, kan niet gelijk worden gesteld aan het oordeel dat het Unierechtelijke mededingingsrecht van toepassing is.
(ii) Of objectief gezien noodzaak bestaat tot reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan, moet door de rechter worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval en staat niet ter discretie van de leverancier. Dit is een autonome Unierechtelijke beoordelingsmaatstaf. 

Achtergrond van de zaak

DAF en verweerster hebben een distributieovereenkomst gesloten op grond waarvan verweerster exclusief bevoegd is tot de import en distributie van DAF-producten in Turkije.
De distributieovereenkomst is voor onbepaalde tijd gesloten, maar kan wel tussentijds worden opgezegd. Daarbij is de opzegtermijn in beginsel twee jaar (de lange opzegtermijn).  Onder bepaalde, in de distributieovereenkomst opgenomen, voorwaarden kan de opzegtermijn echter worden verkort tot één jaar (de korte opzegtermijn). Dat laatste is onder meer het geval wanneer er “een noodzaak bestaat tot reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan” in Turkije.

DAF heeft de distributieovereenkomst opgezegd met inachtneming van de korte opzegtermijn. Na bezwaar van verweerster heeft DAF zekerheidshalve de distributieovereenkomst opnieuw opgezegd, maar nu met inachtneming van de lange opzegtermijn.

In deze zaak gaat het erom of is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de korte opzegtermijn. Volgens het hof ’s-Hertogenbosch was dat niet het geval. Tegen dat oordeel wordt in cassatie opgekomen.

Een noodzaak tot reorganisatie van het distributienet?

De bepaling in de distributieovereenkomst waarin is opgenomen dat de korte opzegtermijn kan worden toegepast wanneer er “een noodzaak bestaat tot reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan”, is niet door partijen zelf bedacht. Die bepaling is gebaseerd op een bepaling uit het – in deze zaak van toepassing zijnde – Turkse mededingingsrecht. Die bepaling uit het Turkse mededingingsrecht is op haar beurt weer gebaseerd op een bepaling uit Verordening 1400/2002.

Bij de uitleg van de genoemde bepaling in de distributieovereenkomst en van de daarmee corresponderende bepaling uit het Turkse mededingingsrecht heeft het hof – in navolging van partijen – om deze reden aansluiting gezocht bij de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Vulcan Silkenborg. Die uitspraak is namelijk gewezen in het kader van (een voorloper van) Verordening 1400/2002 en ging over de zinsnede “een noodzaak bestaat tot reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan”.

Het Hof van Justitie heeft in Vulcan Silkenborg overwogen dat aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval door de rechter moet worden beoordeeld (i) of er objectief gezien sprake is van een reorganisatie en (ii) of voor die reorganisatie een objectieve noodzaak bestaat. Het is volgens het Hof van Justitie weliswaar niet aan de rechter om de economische en commerciële motieven van de leverancier die beslist om zijn distributienet te reorganiseren in twijfel trekken, maar daar staat tegenover dat de noodzaak van een dergelijke reorganisatie niet aan de discretionaire bevoegdheid van de leverancier mag worden overgelaten. Dan zou immers aan de wederpartij van de leverancier geen enkele bescherming toekomen – aldus het Hof van Justitie.

De Hoge Raad overweegt dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan dat het Hof van Justitie hiermee een autonome Unierechtelijke beoordelingsmaatstaf heeft ontwikkeld. Uit de uitspraak van het hof in deze zaak blijkt dat het hof deze maatstaf heeft aangelegd om te beoordelen of DAF zich kon beroepen op het bestaan van een noodzaak tot reorganisatie van het volledige distributienet of van een wezenlijk deel daarvan. Of die maatstaf een marginale of volle toetsing vergt, zoals in cassatie door DAF ter discussie was gesteld, kan vervolgens in het midden worden gelaten: waar het om gaat is dat de maatstaf door het hof juist is toegepast – zo overweegt de Hoge Raad. Hiermee lijkt de Hoge Raad te kiezen voor een praktische benadering en een (hoofdzakelijk semantische) discussie over de precieze aard van de toetsing te willen vermijden.

Daarbij verduidelijkt de Hoge Raad nog dat – anders dan bepaalde klachten in cassatie tot uitgangspunt namen – niet kan worden gezegd dat het hof het Unierechtelijk mededingingsrecht van toepassing heeft geacht. Het hof heeft de uitspraak van het Hof van Justitie immers slechts “van belang geacht” voor de uitleg van de bepaling in (a) de distributieovereenkomst en (b) het toepasselijke Turkse mededingingsrecht.

Dat lijkt op het eerste gezicht wat tegenstrijdig – het hof acht het Unierechtelijke mededingingsrecht níet van toepassing, maar heeft wél de beoordelingsmaatstaf zoals geformuleerd door het Hof van Justitie aangelegd? De beoordelingsmaatstaf uit Vulcan Silkenborg moet echter worden gezien als een relevante omstandigheid bij de uitleg van de betreffende bepaling uit de distributieovereenkomst en het Turkse mededingingsrecht, nu die bepalingen zijn gebaseerd op de Unierechtelijke bepaling die in Vulcan Silkenborg wordt uitgelegd. Dat is echter nog niet hetzelfde als het van toepassing achten het Unierechtelijke mededingingsrecht.

Het oordeel van het hof dat DAF geen gebruik kon maken van de korte opzegtermijn uit de distributieovereenkomst, houdt daarmee bij de Hoge Raad stand.

Share This