HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:126

De openbare orde-exceptie (o.a. art. 10:6 BW) is in processuele zin van openbare orde. Dat betekent dat de rechter die ambtshalve en zo nodig buiten het door de grieven ontsloten gebied moet toepassen.

Aanleiding

Deze uitspraak komt voort uit een procedure over echtscheiding en de verdeling van het huwelijksvermogen. De partijen bij deze procedure zijn getrouwd in Iran en hadden ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de Iraanse nationaliteit. Sindsdien hebben zij zich in Nederland gevestigd.

In hun huwelijksakte naar Iraans recht staat de volgende clausule over de verdeling van het huwelijksvermogen na echtscheiding (hierna: de clausule):

“A: De vrouw stelt de voorwaarde dat wanneer de echtscheiding niet de wens van de vrouw is en conform de bevinding van de rechtbank de vrouw haar taken als echtgenote heeft uitgevoerd en geen onzedelijk gedrag heeft begaan, de man verplicht is om de helft van zijn aanwezige vermogen, dat hij tijdens het huwelijk heeft opgebouwd, of de gelijke waarde daarvan, conform het besluit van de rechtbank aan de vrouw over te dragen.”

In cassatie is uitgangspunt dat het op de verdeling van het huwelijksvermogen toepasselijke recht moet worden vastgesteld op basis van de conflictregels uit het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. In de procedure rijst de vraag of de clausule in strijd is met de openbare orde, als bedoeld in art. 14 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. Daarvan is sprake als de clausule in strijd is met fundamentele beginselen en waarde van de Nederlandse rechtsorde (zie rov. 4.2.2 van de besproken beschikking van de Hoge Raad).

De rechtbank had die vraag ontkennend beantwoord. Volgens de rechtbank is een dergelijke clausule niet in strijd met de Nederlandse openbare orde, aangezien dit een clausule is die de vrouw beschermt tegen de financiële gevolgen van een echtscheiding op initiatief van de man.

Het hof komt tot een ander oordeel. Volgens het hof is de clausule in strijd met de openbare orde omdat het de vraag of de vrouw aanspraak kan maken op het vermogen van de man afhankelijk maakt van de vraag of zij schuld heeft aan de echtscheiding.

Openbare orde-exceptie van openbare orde?

In voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep klaagt de man dat het hof met deze beslissing buiten het door de grieven ontsloten gebied is getreden. Er waren in hoger beroep immers geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de clausule niet in strijd is met de openbare orde.

De Hoge Raad verwerpt die klacht. De openbare orde-exceptie is namelijk van openbare orde in processuele zin, wat betekent dat de rechter die ambtshalve en zo nodig buiten het door de grieven ontsloten gebied moet toepassen:

“Bij de beoordeling van het onderdeel dient tot uitgangspunt dat de openbare-orde-exceptie in het internationaal privaatrecht in processuele zin van openbare orde is. Dit geldt zowel voor de openbare-orde-exceptie in het commune internationaal privaatrecht (art. 10:6 BW) als voor de openbare-orde-exceptie in internationale regelingen, zoals in art. 14 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978, dat in de onderhavige zaak toepasselijk is. Dit betekent dat zowel de rechter in eerste aanleg als de rechter in hoger beroep ertoe is gehouden ambtshalve de openbare-orde-exceptie toe te passen. Voor de rechter in hoger beroep geldt deze verplichting ook buiten de grenzen van het door de grieven ontsloten gebied, met dien verstande dat hij de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep dient te respecteren.”

Voor de uitleg van het verschil tussen ‘het door de grieven ontsloten gebied’ en ‘de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep’ verwijst de Hoge Raad naar HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340; zie daarover Cb 2016-47.

De Hoge Raad voegt nog toe dat deze verplichting om de openbare orde-exceptie ambtshalve toe te passen bestaat ongeacht of sprake is van vreemd recht dat naar zijn inhoud onaanvaardbaar is (het zogenoemde ‘buitengrenscriterium’), of van vreemd recht dat buiten toepassing moet blijven omdat de toepassing ervan zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld (het zogenoemde ‘binnengrenscriterium’). In beide gevallen kan geen toepassing van het vreemde recht plaatsvinden omdat dit in strijd is met fundamentele waarden en beginselen van de Nederlandse rechtsorde (rov. 4.2.2).

De Hoge Raad volgt hiermee de (aanvullende) conclusie van A-G Vlas (punt 2.5).

Toepassing Iraans recht zonder gewraakte clausule?

In principaal cassatieberoep had de vrouw nog klachten gericht tegen het oordeel van het hof over de vraag wat er moest gebeuren nu de clausule wegens strijd met de openbare orde deels buiten toepassing moet worden gelaten.

Het hof had geoordeeld dat de clausule, minus het deel waarin de aanspraak van de vrouw afhangt van haar schuld aan de echtscheiding, neerkomt op een verdeling bij helfte van het door de man tijdens het huwelijk verworven vermogen. Het hof had bij het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) inlichtingen ingewonnen over de vraag of Iraans recht een dergelijke verdeling toestaat. Uit het advies van het IJI blijkt dat het Iraanse recht dat toestaat, maar dat een dergelijke regeling in de praktijk bijna nooit voorkomt (rov. 3.2.2 van de beschikking van de Hoge Raad).

In zijn eindbeschikking had het hof geoordeeld dat de ratio van de oorspronkelijk door partijen gesloten huwelijkse voorwaarden is gelegen in de beschermingsgedachte en de bedoeling dat de vrouw bij het einde van het huwelijk door echtscheiding voldoende financieel verzorgd moet achterblijven. Volgens het hof zou het in strijd zijn met deze ratio indien de vrouw nu een onvoorwaardelijk recht zou hebben (gekregen) op het vermogen van de man; hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat een onvoorwaardelijke verdeling bij helfte van het vermogen in Iran in de praktijk bijna nooit voorkomt.

De Hoge Raad acht die overweging onbegrijpelijk in het licht van het IJI-rapport. Daaruit blijkt immers dat Iraans recht een verdeling bij helfte wel degelijk toestaat. Uit het  rapport blijkt niet dat naar Iraans recht de rechtsgevolgen van het buiten toepassing laten van een gedeelte van een tussen partijen overeengekomen clausule in de huwelijkse voorwaarden moeten worden vastgesteld aan de hand van de ratio van de tussen partijen overeengekomen clausule. Uit dit rapport blijkt evenmin dat het feit dat een onvoorwaardelijke verdeling bij helfte van het vermogen in Iran in de praktijk bijna nooit voorkomt, naar Iraans recht in deze zaak van belang is (rov. 3.2.6).

Op dit punt komt de Hoge Raad tot een ander oordeel dan A-G Vlas (punt 3.24).

Rechtskeuze ten processe voor Nederlands recht?

Een laatste interessant oordeel in deze zaak is dat over de mogelijkheden van een rechtskeuze onder het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978. De vrouw had geklaagd dat partijen ter zitting in hoger beroep een rechtskeuze voor Nederlands recht hadden gedaan.

De Hoge Raad verwerpt die klacht, omdat op de vraag welk recht toepasselijk is in dit geval het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 toepasselijk is. Dat Verdrag maakt een rechtskeuze mogelijk, maar stelt daaraan wel vormvereisten, die aan een rechtskeuze ten processe in de weg staan:

“3.1.2 (…) Op grond van art. 6 van [het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978) kunnen de echtgenoten tijdens het huwelijk – dus ook in het kader van een echtscheidingsprocedure – een rechtskeuze doen ter zake van het huwelijksvermogensregime. Volgens art. 13 van het verdrag dient deze rechtskeuze te geschieden in de vorm die voor huwelijkse voorwaarden is voorgeschreven door hetzij het gekozen recht, hetzij het recht van de plaats waar de rechtskeuze wordt gedaan. Een rechtskeuze voor Nederlands recht die in Nederland wordt gedaan, moet dus op grond van art. 13 Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 in verbinding met art. 1:115 lid 1 BW geschieden bij notariële akte. Dat betekent dat een ten processe bij de Nederlandse rechter gedane rechtskeuze voor Nederlands recht die is neergelegd in een proces-verbaal van de zitting, niet voldoet. De hiervoor in 3.1.1 weergegeven klacht faalt.”

Op dit punt volgt de Hoge Raad A-G Vlas.

Share This

Cassatieblog.nl