HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1980
Als een gerecht bij het opstellen en publiceren van een nieuwsbericht over een rechterlijke uitspraak persoonsgegevens verwerkt, vormt de vervulling van een taak van algemeen belang in de zin van art. 6 lid 1, aanhef en onder e, AVG daarvoor een grondslag. Daarvoor is van belang dat de desbetreffende verwerking van persoonsgegevens voor het vervullen van die taak noodzakelijk is. Daarnaast moet worden voldaan aan de beginselen van juistheid en minimale gegevensverwerking. Aan deze eisen is in dit geval niet voldaan.
Toezicht op naleving AVG door de gerechten
De hier besproken uitspraak is gedaan door de Vierde Kamer van de Hoge Raad naar aanleiding van een vordering van de procureur-generaal op grond van de Regeling toezicht verwerking persoonsgegevens door gerechten en het parket bij de Hoge Raad (hierna: de Regeling). In de Regeling is vastgelegd dat en op welke wijze de procureur-generaal bij de Hoge Raad (hierna: PGHR) toezicht houdt op verwerking van persoonsgegevens in de rechtspraak, zoals de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) vereist. Dat toezicht strekt zich ook uit tot de verwerking van persoonsgegevens in nieuwsberichten door de gerechten (rov. 4.10).
Aanleiding
Aanleiding voor deze uitspraak is een op www.rechtspraak.nl gepubliceerd nieuwsbericht over een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 24 mei 2023. Het vonnis zelf is door een fout pas bijna een jaar later (op 13 mei 2024) op www.rechtspraak.nl gepubliceerd.
In het nieuwsbericht (deels geciteerd in de besproken uitspraak) wordt vermeld dat de rechtbank een man heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaar voor misbruik van zijn dochter en vriendinnetjes van haar. Daarbij zijn de leeftijd van de man en zijn woonplaats vermeld, net als de gezinssamenstelling en details van het misbruik.
Verzoekster in de procedure bij de Hoge Raad is de moeder van de dochter en van een jonger zusje van de dochter.
Klachten over nieuwsbericht
Op grond van art. 7 Regeling kan iedere betrokkene bij de PGHR een klacht indienen indien hij van mening is dat de verwerking door gerechten of het parket bij de Hoge Raad van hem betreffende persoonsgegevens in het kader van de uitoefening van hun gerechtelijke taken inbreuk maakt op de AVG.
Verzoekster heeft (na tussenkomst van de Nationale Ombudsman, zie rov. 3.4) van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en op twee punten geklaagd over het nieuwsbericht. Het eerste onderdeel klaagt over een feitelijke onjuistheid in het nieuwsbericht. Het tweede onderdeel klaagt erover dat de in het nieuwsbericht gegeven informatie tot verzoekster herleidbaar is en zij daarmee in een negatief daglicht is komen te staan.
Toepasselijkheid AVG op nieuwsbericht
De Hoge Raad gaat eerst in op de toepasselijkheid van de regels uit de AVG op het nieuwsbericht. De AVG is van toepassing op verwerking van persoonsgegevens door gerechten, behalve op de verwerking van persoonsgegevens met het oog op het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen (art. 2 lid 2, aanhef en onder d, AVG). Die laatste uitzondering is hier niet van belang, omdat het gaat om een nieuwsbericht dat is opgesteld naar aanleiding van een eindvonnis in een strafzaak.
De Hoge Raad stelt verder voorop dat verwerking van persoonsgegevens onder de AVG moet voldoen aan de beginselen van minimale gegevensverwerking en van juistheid (rov. 4.5).
Verder is het verwerken van persoonsgegevens alleen rechtmatig indien het berust op een in art. 6 lid 1 AVG genoemde grondslag. Voor het opstellen en publiceren door een gerecht van een nieuwsbericht over een rechterlijke uitspraak is de grondslag de vervulling van een taak van algemeen belang in de zin van art. 6 lid 1, aanhef en onder e, AVG, mits de desbetreffende verwerking van persoonsgegevens voor het vervullen van die taak noodzakelijk is (rov. 4.6).
Als bij het opstellen van een nieuwsbericht persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen worden vermeld, moet (kort gezegd) zorgvuldig worden nagegaan of die vermelding gerechtvaardigd lijkt en evenredig is aan de verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen, zo blijkt uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). De verwerking van gegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten kan wegens de bijzondere gevoeligheid van deze gegevens immers in zeer ernstige mate inbreuk maken op de grondrechten op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens (rov. 4.6).
Bepaalde bijzondere categorieën persoonsgegevens, waaronder gegevens over iemands seksuele gedrag of seksuele geaardheid, mogen bovendien alleen worden verwerkt als dat noodzakelijk is om redenen van zwaarwegend algemeen belang. Daarbij moet de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens worden geëerbiedigd en moeten passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene (rov. 4.7).
Eerste klachtonderdeel: onjuiste gegevens
Verzoekster had in de eerste plaats geklaagd over de volgende zin uit het nieuwsbericht: “Ook 3 vriendinnetjes van het meisje en haar jongere zusje deden aangifte”. Verzoekster klaagt dat deze zin onjuist is, omdat die tot uitdrukking brengt dat het jongere zusje aangifte heeft gedaan, terwijl de jongste dochter van verzoekster destijds (nog) geen aangifte had gedaan.
De Hoge Raad acht deze klacht gegrond. Het ligt voor de hand de zin in het nieuwsbericht zo te lezen dat ook het jongere zusje aangifte heeft gedaan, aldus de Hoge Raad (rov. 4.14). Dit blijkt ook uit berichtgeving in de pers naar aanleiding van het nieuwsbericht, waarin melding wordt gemaakt van aangifte door het jongere zusje.
Het staat vast dat de jongste dochter van verzoekster op het moment van het wijzen van het vonnis geen aangifte had gedaan. Het vonnis bevat geen overwegingen over een aangifte door de jongste dochter. De zin in het nieuwsbericht is dus geen juiste weergave van wat in het vonnis is overwogen en is, in de voor de hand liggende lezing, feitelijk onjuist. Dit betekent dat de zin in strijd is met het beginsel van juistheid. Daarbij wijst de Hoge Raad erop dat het vonnis waarop het nieuwsbericht betrekking had pas bijna een jaar later is gepubliceerd en het nieuwsbericht in de tussentijd dus niet in samenhang met het vonnis kon worden gelezen (rov. 4.14).
Tweede klachtonderdeel: gegevens herleidbaar tot verzoekster
Het tweede klachtonderdeel houdt in dat de in het nieuwsbericht gegeven informatie tot verzoekster herleidbaar is. Dat is volgens verzoekster zo omdat in het nieuwsbericht de woonplaats van het gezin wordt vermeld en doordat in het nieuwsbericht staat: “Zo vertelde de dochter verschillende keren aan haar moeder dat ze werd misbruikt door haar vader” en “Haar moeder verklaarde namelijk dat het meisje [leeftijd] was toen zij haar ‘onder’ iets zag doen en vertelde dat ze dat ‘van papa had’” (rov. 4.16).
Verzoekster heeft toegelicht dat de in het nieuwsbericht vermelde informatie ertoe heeft geleid dat zij door derden is bedreigd en dat haar werkgever aan haar een ordemaatregel heeft opgelegd, die inhoudt dat zij is geschorst (rov. 4.16 met verwijzing naar 3.3).
De Hoge Raad beoordeelt of het vermelden van de bedoelde informatie noodzakelijk was voor het vervullen van de beoogde doelstellingen. De Hoge Raad merkt eerst op dat het publiceren van een nieuwsbericht over een rechterlijke uitspraak kan bijdragen aan de openbaarheid van de rechtspraak. Het verwerken van persoonsgegevens in dit kader kan daarom worden aangemerkt als vervulling van een taak van algemeen belang (art. 6 lid 1, aanhef en onder e, AVG) (rov. 4.16).
Van belang is wel dat voor betrokkenen en het publiek het onderscheid tussen een nieuwsbericht en de rechterlijke uitspraak waarop het bericht betrekking heeft steeds duidelijk is (rov. 4.18). Bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de publicatie van een nieuwsbericht zal het gerecht steeds moeten nagaan of die verwerking noodzakelijk is, en ook of de gegevens kunnen leiden tot herkenbaarheid van een betrokkene.
In dit geval is dat laatste gebeurd, concludeert de Hoge Raad:
“4.20 De combinatie van het vermelden van de plaatsnaam (een plaats met circa […] inwoners), de leeftijd van de verdachte, de gezinssituatie en de hiervoor in 4.16 geciteerde zinnen, heeft ertoe geleid dat verzoekster en haar jongste dochter voor hun omgeving identificeerbaar waren. Verzoekster is ook daadwerkelijk geïdentificeerd, zoals blijkt uit de reactie van haar werkgever en de door verzoekster gestelde bedreigingen.”
Door de vermelding van de hiervoor bedoelde persoonsgegevens van verzoekster, in samenhang met de beschrijving van het misbruik en getuigenverklaringen van verzoekster, is inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer, aldus de Hoge Raad:
“4.21 Tegen deze achtergrond is het tweede klachtonderdeel gegrond voor zover het erover klaagt dat in het nieuwsbericht de combinatie van de hiervoor in 4.20 bedoelde persoonsgegevens is opgenomen in samenhang met de beschrijving van het misbruik en van onderdelen van de getuigenverklaringen van verzoekster. Het nieuwsbericht was tot verzoekster herleidbaar en de inhoud van het nieuwsbericht was zodanig dat kon worden voorzien dat herkenning van verzoekster voor haar ernstige gevolgen zou kunnen hebben. Het nieuwsbericht bevat een gedetailleerde beschrijving van het misbruik en beschrijft onderdelen van de getuigenverklaring(en) van verzoekster in haar hoedanigheid van moeder van een van de slachtoffers. Daar komt bij dat de aard van het delict, seksueel misbruik van kinderen, in de maatschappij sterke gevoelens van afkeuring oproept, wat de herleidbaarheid tot personen extra bezwaarlijk maakt. De omstandigheid dat het nieuwsbericht geen betrekking heeft op seksueel gedrag van verzoekster, doet er niet aan af dat het samenstel van de informatie in het nieuwsbericht ook voor haar stigmatiserend kan zijn. Daarom geldt ten aanzien van deze onderdelen van het nieuwsbericht de norm dat verwerking van deze gegevens slechts is toegestaan indien dat noodzakelijk is om redenen van zwaarwegend algemeen belang (zie hiervoor in 4.6).”
De Hoge Raad concludeert dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet noodzakelijk was, alleen al omdat niet valt in te zien dat het niet mogelijk was een voldoende informatief nieuwsbericht te publiceren dat niet tot verzoekster herleidbaar was. Het nieuwsbericht berust in zoverre dus niet op de in art. 6 lid 1, aanhef en onder e, AVG genoemde grondslag (en is niet in overeenstemming met het beginsel van minimale gegevensverwerking en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit). Het tweede onderdeel van de klacht is daarom ook gegrond (rov. 4.22).
Gevolgen
De president van de rechtbank Oost-Brabant heeft verklaard dat het gerechtsbestuur gevolg zal geven aan het door de Hoge Raad te geven oordeel over de klachten. Gelet daarop gaat de Hoge Raad ervan uit dat de gegrondbevinding van de klachten het gerechtsbestuur aanleiding zal geven het nieuwsbericht te verwijderen of aan te passen overeenkomstig hetgeen over de klachten is overwogen.
Bijzonderheden ten aanzien van de procedure
Klachten als hier aan de orde worden volgens art. 9 Regeling in verbinding met art. 13d Wet RO in beginsel behandeld door een kamer van drie leden. In dit geval heeft de Hoge Raad aanleiding gezien de klachten overeenkomstig de hoofdregel van art. 75 lid 2 Wet RO te laten behandelen en beslissen door een kamer van vijf leden. Daarvoor is gekozen omdat met name het tweede klachtonderdeel vragen aan de orde stelt over de verwerking van persoonsgegevens in openbare berichtgeving door de gerechten, meer in het bijzonder de vraag in hoeverre en op welke wijze de gerechten bij het opstellen en publiceren van een nieuwsbericht over een rechterlijke uitspraak rekening moeten houden met het belang van de bescherming van persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer van personen die in het nieuwsbericht worden genoemd (rov. 2.1).