HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:54
De verwijzingsrechter is gebonden aan alle in cassatie niet of tevergeefs bestreden eindbeslissingen uit de uitspraak waartegen cassatieberoep was ingesteld.
Achtergrond
Een aannemer heeft met Innové Vastgoed B.V. een aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een appartementencomplex. Verweerster in cassatie heeft van Innové Vastgoed B.V. een appartement in dit complex gekocht en heeft met de aannemer een aannemingsovereenkomst gesloten voor de (af)bouw ervan. Innové Vastgoed B.V. leverde het appartement in 2010 aan verweerster. Vanaf 5 september 2011 heeft de aannemer een retentierecht uitgeoefend op het appartement en op het complex. Bij arbitraal vonnis van 15 april 2015 is verweerster veroordeeld tot betaling van € 1.054,75 aan de aannemer op grond van de aannemingsovereenkomst.
Verloop van het geschil
Verweerster vordert in deze procedure:
(I) een verklaring voor recht dat de aannemer vanaf 15 april 2015 onrechtmatig handelt het appartement niet aan verweerster af te geven;
(II) een gebod voor de aannemer om alles te doen wat nodig is om het retentierecht niet langer uit te oefenen;
(III) toe te staan dat verweerster voor rekening en risico van de aannemer handelingen verricht om het retentierecht te beëindigen;
(IV) een dwangsom te verbinden aan de onder (II) en (III) gevorderde verboden.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft dit vonnis vernietigd en het gebod onder (II) toegewezen, maar de andere vorderingen afgewezen. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden vernietigd en het geding verwezen naar het hof Den Bosch (HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:970, CB 2023-91). Dat hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en voor recht verklaard dat de aannemer vanaf 24 september 2019 onrechtmatig handelde door het appartement niet aan verweerster af te geven.
Het geding in cassatie
In cassatie klaagt de aannemer dat het hof Den Bosch na verwijzing alsnog de verklaring voor recht heeft toegewezen, terwijl over de afwijzing daarvan door het hof Arnhem-Leeuwarden in de eerste cassatieprocedure niet was geklaagd.
Deze klacht slaagt. De Hoge Raad overweegt dat na cassatie en verwijzing de rechter naar wie het geding is verwezen de behandeling daarvan voortzet. Hierbij beslist de rechter ingevolge art. 424 Rv met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. De Hoge Raad brengt in herinnering dat de verwijzingsrechter is gebonden aan alle in cassatie niet of tevergeefs bestreden eindbeslissingen uit de uitspraak waartegen cassatieberoep was ingesteld (HR 24 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO2882, rov. 3.2).
Dit volgt uit art. 419 Rv, dat bepaalt dat de Hoge Raad niet buiten de middelen mag treden. Dat leidt ertoe dat beslissingen die in cassatie niet worden bestreden door een of meer cassatiemiddelen, gedurende de verdere loop van het geding vast staan. Het is vaste rechtspraak dat dit ook geldt voor beslissingen die in cassatie tevergeefs worden bestreden. Hierbij verdient nog opmerking dat beslissingen die in cassatie door een voorwaardelijk middel zijn bestreden dat niet is behandeld omdat de voorwaarde niet was vervuld, gelden als onbestreden.
Omdat verweerster in de eerste cassatieprocedure niet heeft geklaagd over de afwijzing van de verklaring voor recht door het hof Arnhem-Leeuwarden, is de afwijzing onherroepelijk . Het hof na verwijzing kon die vordering dan ook niet alsnog toewijzen.
De Hoge Raad doet de zaak zelf af. Het hof Den Bosch had geoordeeld dat verweerster geen belang meer heeft bij toewijzing van de gevorderde geboden. De aannemer had na het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden de feitelijke macht over het appartement prijsgegeven waardoor het retentierecht is tenietgegaan.
De Hoge Raad bekrachtigt, ook wat de proceskostenveroordeling betreft, het vonnis van de rechtbank, nu verweerster pas op 24 september 2019 – en dus na het vonnis – heeft aangeboden te betalen wat nog verschuldigd was op grond van de aannemingsovereenkomst voor de (af)bouw van het appartement. Bij het wijzen van het vonnis mocht de aannemer zijn retentierecht dus nog uitoefenen.
Hiermee sluit de Hoge Raad aan bij zijn eerdere rechtspraak dat als de vernietiging van een in hoger beroep bestreden vonnis berust op een wijziging van omstandigheden, de rechter in hoger beroep moet nagaan of de rechter in eerste aanleg terecht tot zijn beslissing is gekomen (HR 16 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:918, CB 2023-90, rov 3.4.2).
De aannemer heeft in cassatie niet geklaagd over het oordeel van het hof Den Bosch dat de aannemer vanaf 24 september 2019 verplicht was het retentierecht op te heffen voor zover dit berustte op de aannemingsovereenkomst voor het appartement. Verder verwerpt de Hoge Raad de klachten tegen het oordeel van datzelfde hof dat de aannemer ten aanzien van de aannemingsovereenkomst voor het appartementencomplex niet een retentierecht kon uitoefenen. De aannemer kon dus vanaf 24 september 2019 geen retentierecht meer uitoefenen.
Voor de proceskosten in hoger beroep geldt volgens de Hoge Raad dan ook dat de aannemer moet worden aangemerkt als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij. Dat verandert niet doordat de gevorderde geboden vanwege het tenietgaan van het retentierecht bij gebrek aan belang niet langer kunnen worden toegewezen.