HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1950
Art. 419 lid 2 Rv brengt mee dat de feitelijke grondslag van de middelen waarop het beroep in cassatie steunt alleen kan worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding, en dus niet in nieuwe feiten die zich hebben voorgedaan na de bestreden uitspraak. Dat is niet anders in een uitleveringszaak, waarin het gaat om de vraag of de persoon die wordt uitgeleverd het risico loopt om na uitlevering in strijd met art. 3 EVRM te worden blootgesteld aan onmenselijke en vernederende detentieomstandigheden.
Vervolg op uitspraak over incidentele vordering
Al eerder werd op dit blog aandacht besteed aan een uitspraak van de Hoge Raad over een incidentele vordering tot verwijdering van stukken uit het dossier, op de grond dat deze stukken gelet op art. 419 lid 2 Rv geen rol kunnen spelen bij de beoordeling van het cassatiemiddel. De Hoge Raad wees die incidentele vordering toen af op de grond dat in een andere zaak, die op dat moment bij de Hoge Raad aanhangig was, zou worden ingegaan op de vraag of een uitzondering moet worden aanvaard op de regel van art. 419 lid 2 Rv – die inhoudt dat de feitelijke grondslag van het cassatiemiddel alleen wordt gevonden in de bestreden uitspraak en de gedingstukken – vanwege het beroep van de betrokkene op art. 3 EVRM en art. 13 EVRM.
Die uitspraak heeft de Hoge Raad op 19 december 2025 gedaan, en daarover gaat dit cassatieblog. Voor verdere toelichting op art. 419 lid 2 Rv en de rechtspraak daarover wordt verwezen naar het hiervoor genoemde blog over de incidentele vordering.
Achtergrond
Zowel de zaak waarin de hiervoor bedoelde incidentele vordering werd ingesteld als de hier besproken zaak was een uitleveringszaak. In de hier besproken zaak was uitlevering van betrokkene aan de Verenigde Staten verzocht. De uitleveringskamer van de rechtbank Amsterdam had de uitlevering toelaatbaar geacht. Vervolgens heeft de Minister van Justitie en Veiligheid besloten de uitlevering toe te staan.
In kort geding heeft betrokkene gevorderd de Staat te verbieden hem uit te leveren aan de Verenigde Staten, althans zo lang de Staat geen bindende, concrete en persoonlijke garanties had ontvangen die ertoe strekken te voorkomen dat betrokkene na zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan onmenselijke en vernederende detentieomstandigheden in de VS, in strijd met art. 3 EVRM. De voorzieningenrechter en het hof wezen de vorderingen af. Het hof overwoog dat, gelet op de uit de Verenigde Staten ontvangen informatie, geen sprake was van (een reëel risico op) een dreigende schending van art. 3 EVRM.
Betrokkene stelde cassatie in tegen de uitspraak van het hof, met klachten tegen de bedoelde overwegingen. In de schriftelijke toelichting bij deze klachten heeft hij zich beroepen op een aan die toelichting gehechte schriftelijke verklaring van een criminal defense investigator die werkzaam is bij het kantoor van de advocaat van betrokkene in de VS. De verklaring betreft de detentieomstandigheden waaronder betrokkene zegt te verkeren sinds zijn uitlevering aan de VS, die na het in cassatie bestreden arrest heeft plaatsgevonden.
Uitzondering op art. 419 lid 2 Rv in uitleveringszaken?
De vraag is daarmee of de in deze verklaring bedoelde feiten, die dus zien op de omstandigheden waarin de betrokkene na het in cassatie bestreden arrest is komen te verkeren, een rol kunnen spelen bij de beoordeling van zijn klachten. Betrokkene voert aan dat art. 419 lid 2 Rv daaraan in dit geval niet in de weg staat, omdat (i) het door art. 3 EVRM beschermde recht een absoluut karakter heeft, zodat de bescherming tegen een schending daarvan een kwestie van openbare orde is, (ii) art. 13 EVRM aan betrokkene recht geeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie en (iii) op de Staat in al zijn geledingen, waaronder de Hoge Raad, de plicht rust een schending van art. 3 EVRM te redresseren. Ook volgt volgens betrokkene uit de rechtspraak van het EHRM dat ook na uitlevering bekende feiten in aanmerking kunnen worden genomen en heeft de Hoge Raad de verplichting te waarborgen dat voor eenieder die onder zijn rechtsmacht ressorteert, de rechten onder het EVRM niet ‘theoretical or illusory’ zijn, maar ‘practical and effective’.
De Hoge Raad stelt voorop dat at. 419 lid 2 Rv meebrengt dat de feitelijke grondslag van het cassatiemiddel niet kan worden gevonden in feiten die zich hebben voorgedaan na de in cassatie bestreden uitspraak, omdat voorwerp van die procedure immers is of de bestreden uitspraak rechtens onjuist is, dan wel onvoldoende of onbegrijpelijk is gemotiveerd:
“3.5 Aan het cassatiestelsel is eigen dat voorwerp van onderzoek niet is de vordering van de oorspronkelijke eiser noch het verweer van de oorspronkelijke gedaagde, maar de bestreden uitspraak voor zover deze in cassatie wordt bestreden. Ingevolge art. 419 lid 2 Rv kan de feitelijke grondslag van de middelen waarop het beroep in cassatie steunt alleen worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding. Daaruit volgt dat met feiten die zich na die uitspraak hebben voorgedaan, zoals in dit geval, geen rekening kan worden gehouden bij de beoordeling of het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onvoldoende of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.”
Art. 3 en 13 EVRM maken dit niet anders, zo oordeelt de Hoge Raad vervolgens. De uit die verdragsartikelen voortvloeiende verplichtingen brengen niet mee dat de Hoge Raad de grenzen van zijn taken als cassatierechter moet overschrijden door te treden in een feitelijk onderzoek naar de detentieomstandigheden die betrokkene na het bestreden arrest heeft ondervonden:
“3.6 Betrokkene heeft met juistheid aangevoerd dat art. 3 EVRM moet worden gezien als een van de meest fundamentele bepalingen van het EVRM en dat het een absoluut karakter heeft en dat art. 13 EVRM recht geeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. Daaruit volgt echter niet dat de Hoge Raad als cassatierechter in een civielrechtelijke procedure, in afwijking van art. 419 lid 2 Rv, kan treden in een feitelijk onderzoek naar de detentieomstandigheden die betrokkene na het bestreden arrest heeft ondervonden. Aan de Hoge Raad liggen uitsluitend ter toets voor de klachten die in cassatie zijn aangevoerd tegen het bestreden arrest. Aan betrokkene staan andere middelen ten dienste, zoals een (nieuwe) vordering in kort geding, om aan de orde te stellen dat uit nieuwe feiten en omstandigheden volgt dat zijn detentieomstandigheden niet in overeenstemming zijn met de volgens de Staat verstrekte garanties. De Hoge Raad zal derhalve de verklaring niet bij zijn beoordeling betrekken.”
Als dus in cassatie een beroep wordt gedaan op feiten die zich hebben voorgedaan nadat de bestreden uitspraak is gewezen, dan is de consequentie dat de Hoge Raad die feiten niet bij zijn beoordeling betrekt. De Hoge Raad laat in het midden of er een manier is om eerder in de cassatieprocedure een beslissing te verkrijgen over de vraag of bepaalde stukken of feiten in aanmerking zullen worden genomen.
Afdoening
De Hoge Raad verwerpt de inhoudelijke klachten van betrokkene over de door de VS afgegeven garanties vervolgens, deels met art. 81 RO en deels door te overwegen dat zij vanwege hun verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard niet op juistheid kunnen worden onderzocht, en verder niet onbegrijpelijk of anderszins onvoldoende gemotiveerd zijn. Hiermee, en ook met het oordeel over art. 419 lid 2 Rv, volgt de Hoge Raad de conclusie van A-G Snijders.