HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1658

Een incidentele vordering tot verwijdering van stukken uit het dossier, op de grond dat deze stukken gelet op art. 419 lid 2 Rv geen rol kunnen spelen bij de beoordeling van het cassatiemiddel, wordt afgewezen. De reden is dat in een andere zaak, die nu aanhangig is, zal worden ingegaan op de vraag of, en, zo ja, onder welke voorwaarden en op welke wijze, een uitzondering moet worden gemaakt op de regel van art. 419 lid 2 Rv, in het bijzonder vanwege het beroep van de betrokkene op art. 3 EVRM en art. 13 EVRM.

Feitelijke grondslag cassatiemiddelen: art. 419 lid 2 Rv

Art. 419 lid 2 Rv bepaalt dat de feitelijke grondslag van de cassatiemiddelen alleen kan worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de gedingstukken. Tot de gedingstukken behoren, kort gezegd, alle stukken waarover de rechter die de bestreden uitspraak deed beschikte en waarmee hij rekening moest houden bij zijn beslissing.

Uit 419 lid 2 Rv vloeit voort dat in cassatie geen nieuwe feiten kunnen worden gesteld en dat nieuwe stukken in beginsel alleen kunnen worden overgelegd ter informatie, bijvoorbeeld om de Hoge Raad te informeren over de ontwikkelingen na de bestreden uitspraak (zonder daarop een klacht te baseren) of ter ondersteuning van een juridisch betoog (zie HR 8 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4562, rov. 3).

Hierop bestaan uitzonderingen. Een daarvan doet zich voor als de Hoge Raad optreedt als feitenrechter. Een ander bijzonder geval is dat waarin in cassatie nieuwe stukken worden overgelegd (of door de Hoge Raad zelf opgevraagd) die zien op de behandeling van de zaak door de lagere rechter. Te denken valt aan het opvragen van informatie bij het hof over het verloop van de zitting (bijvoorbeeld HR 2 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0923, waarnaar A-G Snijders verwijst in zijn conclusie in het hier besproken incident, punt 3.17). Zie bijvoorbeeld ook HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1408, CB 2019-122, waarin de Hoge Raad informatie opvroeg aan het hof over de datum waarop een van de raadsheren die het bestreden arrest hadden gewezen, was gedefungeerd. Toen bleek dat het bestreden arrest inderdaad pas na het defungeren van de betreffende raadsheer was gewezen, was dat grond voor vernietiging (HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1940, CB 2020-17). In dezelfde lijn ligt het arrest inzake Groningen Seaports (HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1933, CB 2023-37), waarin in cassatie bij ‘conclusie tot aanvulling van de gronden’ een beroep werd gedaan op feiten waaruit volgens hen bleek dat een van de raadsheren die het bestreden arrest hadden gewezen, niet voldeed aan het vereiste van onpartijdigheid, en waarmee zij pas na de uitspraak bekend waren geworden. De Hoge Raad oordeelde dat partijen op die omstandigheden een beroep konden doen en dat art. 419 lid 2 Rv daaraan niet in de weg staat. Zie over dit alles de conclusie van de A-G in dit incident onder 3.17.

In wezen is in deze gevallen niet afgeweken van het uitgangspunt dat de feitelijke grondslag van het cassatieberoep alleen bestaat uit feiten waarmee de lagere rechter bij het wijzen van de bestreden uitspraak rekening kon en moest houden. In de besproken gevallen zagen de ‘nieuwe feiten’ immers op de gang van zaken ten tijde van de behandeling van de zaak door het hof – en waren het dus feiten waarmee het hof bij zijn beslissing rekening kon en moest houden. Er is alleen in die zin sprake van een uitzondering op art. 419 lid 2 Rv dat de stukken waaruit de feiten blijken geen deel uitmaakten van de gedingstukken in de procedure in feitelijke instanties.

Uitzondering op art. 419 lid 2 Rv in bijzonder geval?

Zijn uitzonderingen op art. 419 lid 2 Rv denkbaar vanwege de aard van de zaak en de betrokken belangen? Deze vraag was aanleiding voor de hier besproken uitspraak in incident. Eiseres in de hoofdzaak (hier: betrokkene) verzet zich tegen haar uitlevering naar Chili. Zij betoogt dat haar uitlevering onrechtmatig is, omdat (i) bij detentie in Chili een reëel risico bestaat op schending van art. 3 EVRM, (ii) in Chili sprake zal zijn van discriminatoire detentie, en (iii) de minister de definitieve uitkomst van de door betrokkene aanhangig gemaakte asielprocedure niet wil afwachten (zie rov. 2.2 van de uitspraak van de Hoge Raad). De voorzieningenrechter heeft haar vorderingen afgewezen en het hof heeft dat vonnis bekrachtigd.

Betrokkene stelt cassatie in; bij haar procesinleiding voegt zij een aantal bijlagen.

De Staat stelt zich op het standpunt dat die bijlagen nieuwe feiten bevatten die zich hebben voorgedaan nadat het hof arrest had gewezen. Betrokkene legt die feiten ten grondslag aan haar klachten tegen het oordeel van het hof dat sprake is van voldoende concrete en op de persoon gerichte en ondubbelzinnige garanties ten aanzien van de duur van de resterende detentie. De stukken waarin deze feiten zijn opgenomen behoren niet tot de gedingstukken, omdat zij pas in cassatie zijn overgelegd en het hof daarmee bij zijn beslissing dus geen rekening kon houden. Op grond van art. 419 lid 2 Rv kunnen deze bijlagen – en de daarop gebaseerde stellingen in de procesinleiding – dus geen rol spelen bij de beoordeling door de Hoge Raad van het cassatiemiddel. Er is geen reden voor een uitzondering op art. 419 lid 2 Rv, ook niet op de grond dat betrokkene zich beroept op art. 3 en 13 EVRM.

Verwijdering van stukken uit het dossier bij wege van incident?

Op grond van dit alles vordert de Staat in een incident verwijdering van de bijlagen uit het dossier, om oneigenlijke beïnvloeding bij de advisering door het Parket en de oordeelsvorming door de Raad te voorkomen.

Bestaat in dit geval aanleiding voor een uitzondering op art. 419 lid 2 Rv, en zo ja, onder welke voorwaarden en op welke wijze moet dat dan worden beoordeeld? De Hoge Raad beantwoordt deze vraag in dit incident nog niet.

De reden is dat momenteel een andere zaak (met zaaknummer 24/03194) aanhangig is waarin (deels) dezelfde vragen voorliggen. Ook deze zaak is een uitleveringszaak, waarin betrokkene middels een kort geding heeft geprobeerd zijn uitlevering te voorkomen. Zijn vorderingen zijn in eerste aanleg en in hoger beroep afgewezen, waarna hij is uitgeleverd. In cassatieberoep komt hij op tegen de afwijzende beslissing van het hof. Bij de schriftelijke toelichting in cassatie is als bijlage een verklaring gevoegd die ziet op de omstandigheden waaronder betrokkene sinds zijn uitlevering is gedetineerd.

A-G Snijders concludeerde dat met die nieuwe feiten geen rekening kon worden gehouden (punt 3.24 van zijn conclusie). Ten eerste gaat het, aldus de A-G, niet om feiten die dateren van vóór het arrest van het hof (waarmee het hof rekening had moeten houden), maar om feiten van daarná, die dus niet aan de beslissing van het hof kunnen worden tegengeworpen (het hof kon daarmee geen rekening houden). Ten tweede staan de door betrokkene gestelde feiten, die de Staat had betwist, niet naar behoren vast, terwijl voor onderzoek daarnaar in cassatie geen plaats is. Ten derde maken de gestelde feiten niet dat het arrest van het hof in strijd met art. 6 EVRM is. Mogelijk maken zij dat de uitlevering alsnog in strijd met art. 3 EVRM moet worden geoordeeld, maar dat kan zonder bezwaar (of zelfs: beter) in een nieuwe procedure worden beoordeeld.

In deze zaak zal dus, zo overweegt de Hoge Raad in de hier besproken uitspraak in het incident, worden ingegaan op de vraag of, en, zo ja, onder welke voorwaarden en op welke wijze, een uitzondering moet worden gemaakt op de regel van art. 419 lid 2 Rv, in het bijzonder vanwege het beroep van de betrokkene op art. 3 EVRM en art. 13 EVRM. Reeds op die grond leent de vordering van de Staat tot verwijdering uit het dossier van de bijlagen bij de procesinleiding zich niet voor beoordeling in het incident, aldus de Hoge Raad. Om die reden wijst de Hoge Raad de incidentele vordering af.

Wordt vervolgd

In de uitspraak in zaak 24/03194 zal dus niet alleen worden beslist over de vraag of, en onder welke voorwaarden, in een geval als hier aan de orde een uitzondering moet worden gemaakt op art. 419 lid 2 Rv, maar ook ‘op welke wijze’ zo’n uitzondering moet worden gemaakt. Daarmee houdt de Hoge Raad de mogelijkheid open dat op enig moment in de cassatieprocedure, voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak, een beslissing kan worden genomen over de toelaatbaarheid van nieuwe stukken. De Hoge Raad overweegt verder dat in de hoofdzaak (de zaak waarin het incident is ingesteld) zo nodig zal worden ingegaan op wat de Staat aan zijn incidentele vordering ten grondslag heeft gelegd (rov. 3.2).

Hiermee komt de Hoge Raad tot dezelfde slotsom als A-G Snijders in zijn conclusie. De A-G volgt daarin wel een andere benadering. Hij schrijft dat toewijzing van een incidentele vordering tot verwijdering van stukken uit het dossier hem onder omstandigheden wel mogelijk lijkt, namelijk als aanstonds duidelijk zou zijn (i) dat een stuk uitsluitend wordt overgelegd om als grondslag te dienen voor een cassatieklacht, (ii) dat het stuk niet behoort tot de stukken van het geding en (iii) dat geen grond bestaat voor een uitzondering op art. 419 lid 2 Rv. Dan staat immers bij voorbaat vast dat de partij die het stuk overlegt, geen te respecteren belang daarbij heeft, aldus de A-G (punt 3.16). Een bijkomend argument kan zijn dat nadelige beïnvloeding van de cassatierechter dreigt door kennisneming van het stuk. Volgens de A-G doet het door hem beschreven geval zich niet voor, ten eerste omdat nieuwe stukken ook uitsluitend ter informatie kunnen worden overgelegd, en verder omdat onder bijzondere omstandigheden een uitzondering op art. 419 lid 2 Rv kan worden gemaakt. Daarbij verwijst de A-G naar de hiervoor besproken rechtspraak van de Hoge Raad. Volgens de A-G leent een incident zich niet goed voor de beoordeling of een dergelijk zeer bijzonder geval zich voordoet, maar moet die beoordeling in de hoofdzaak worden gedaan.

Kortom: wordt vervolgd.

Share This

Cassatieblog.nl