Selecteer een pagina

HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:400

Tijdens een faillissementsgijzeling (art. 87 lid 1 Fw) kan de rechter geen contactbeperkingen opleggen aan de gefailleerde. Een contactbeperking is een ingrijpende maatregel die een inmenging vormt in het privéleven, familie- en gezinsleven en de correspondentie van de gefailleerde. Zo’n inmenging moet op grond van art. 8 lid 2 EVRM bij wet zijn voorzien. Noch art. 87 lid 1 Fw, noch enige andere wettelijke bepaling biedt een grondslag voor het opleggen van contactbeperkingen tijdens een faillissementsgijzeling.

Cassatie in het belang der wet

Zo’n drie keer per jaar stelt de procureur-generaal bij de Hoge Raad een vordering in tot vernietiging van een civiele uitspraak van een rechtbank of gerechtshof “in het belang der wet”. Dat kan alleen in een zaak waarin de uitspraak al onherroepelijk is (art. 78 lid 1 Wet RO). De procureur-generaal (in de praktijk vaak: een advocaat-generaal) formuleert in plaats van een ‘gewone’ conclusie een cassatiemiddel. Daarbij licht hij toe waarom de bestreden uitspraak moet worden vernietigd. Als de Hoge Raad vervolgens een uitspraak in het belang der wet vernietigt, heeft dit geen rechtsgevolgen voor de betrokken partijen. Het gaat bij cassatie in het belang der wet dus alleen erom om duidelijkheid te krijgen over een rechtsvraag.

Faillisementsgijzeling

In deze zaak stelde A-G Snijders (hierna: de P-G) cassatie in het belang der wet in tegen een beschikking van het Hof Den Bosch over contactbeperkingen bij faillissementsgijzeling.

De rechter kan op grond van art. 87 lid 1 Fw bevelen dat de gefailleerde in verzekerde bewaring wordt gesteld, ook wel ‘faillissementsgijzeling’ genoemd. Dit dwangmiddel kan worden ingezet als de gefailleerde verplichtingen niet nakomt die de wet in verband met zijn faillissement oplegt of als er gegronde vrees bestaat dat dit zal gebeuren.

De Hoge Raad beantwoordt in deze zaak de vraag of de rechter de gefailleerde tijdens de faillissementsgijzeling beperkingen mag opleggen in contacten met anderen. De aanleiding voor deze vraag vormden tegenstrijdige uitspraken in de lagere rechtspraak. Volgens de P-G wordt deze verdeeldheid ook gesignaleerd in de literatuur en bestaat er onzekerheid hierover. Bovendien maakt een contactbeperking tijdens een faillissementsgijzeling inbreuk op fundamentele rechten. Dit vereist een wettelijke grondslag. Over deze wettelijke grondslag bestaat ook onzekerheid.

In de bestreden beschikking oordeelde het hof dat er geen wettelijke grondslag is voor de bevoegdheid van de rechter om contactbeperkingen op te leggen tijdens een faillissementsgijzeling. Het hof vernietigde daarom de beschikking van de rechtbank, die bepaalde de gefailleerde alleen contact mocht hebben met zijn advocaat, (medewerkers van) de curatoren en de rechter-commissaris.

Volgens de P-G is het oordeel van het hof onjuist. Volgens zijn vordering biedt de wet voldoende grond voor het opleggen van contactbeperkingen tijdens faillissementsgijzeling. Die bevoegdheid is inherent aan de bevoegdheid om een faillissementsgijzeling op te leggen als het doel waarvoor de faillissementsgijzeling plaatsvindt, beperkingen noodzakelijk maakt.

Geen wettelijk grondslag

Maar de Hoge Raad oordeelt dat contactbeperkingen niet kunnen. Hij neemt als uitgangspunt dat het opleggen van contactbeperkingen tijdens een faillissementsgijzeling een ingrijpende maatregel is die een inmenging vormt in het privéleven, familie- en gezinsleven en de correspondentie van de gefailleerde. Zo’n inmenging moet op grond van art. 8 lid 2 EVRM bij wet zijn voorzien. Dit moet op een wijze die voor de gefailleerde voldoende kenbaar en in haar toepassing voorzienbaar is (rov. 3.2).

In art. 87 lid 1 Fw of andere wettelijke bepalingen is echter geen uitdrukkelijke grondslag te vinden voor het opleggen van contactbeperkingen bij faillissementsgijzeling (rov. 3.3). Ook uit de wetsgeschiedenis van art. 87 lid 1 Fw blijkt niet dat de wetgever bedoeld heeft contactbeperkingen mogelijk te maken. Hetzelfde geldt voor de wetsgeschiedenis van de Wet versterking positie curator. Hoewel die wet de inlichtingen- en medewerkingsplicht van de gefailleerde uitbreidt, wordt in de memorie van toelichting alleen vermeld dat deze verplichtingen met faillissementsgijzeling kunnen worden afgedwongen. Er wordt niet gesproken over de mogelijkheid om contactbeperkingen op te leggen (rov. 3.4). De Hoge Raad overweegt (rov. 3.5):

“Een zodanige inmenging in het privéleven, familie- en gezinsleven en de correspondentie van de gefailleerde is dus niet bij wet voorzien, als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM […]. Dat het opleggen van contactbeperkingen onder omstandigheden dienstbaar zal kunnen zijn aan het bereiken van het doel van de inbewaringstelling – nakoming door de gefailleerde van de verplichtingen die de wet hem in verband met zijn faillissement oplegt – leidt niet tot een ander oordeel.”

De Hoge Raad verwerpt daarom het cassatieberoep van de P-G. Onder de huidige wetgeving zijn contactbeperkingen bij een faillissementsgijzeling dus niet mogelijk.

Share This

Cassatieblog.nl