HR 14 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:388

(i) Van dezelfde gebeurtenis(sen) en gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen (art. 1018d lid 1 Rv) kan ook sprake zijn bij een collectieve vordering die deels tegen andere rechtspersonen is gericht of wordt ingesteld ten behoeve van een (gedeeltelijk) andere achterban dan de eerdere collectieve vordering.

(ii) De termijnverlenging in art. 1018d lid 2 Rv geldt alleen voor de rechtspersoon die om die verlenging heeft verzocht en heeft dus geen algemene werking.

(iii) Een mede-eiser die zich wat betreft de ontvankelijkheid van eiser schaart bij de wederpartij is geen wederpartij wat betreft de kostenveroordeling.

Achtergrond

RCJ heeft een collectieve vordering ingesteld tegen Apple. Op grond van art. 1018d Rv kunnen ook anderen aanhaken bij zo’n collectieve actie. Als hun collectieve vordering over dezelfde gebeurtenis(sen) en over gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen gaat, moet die worden ingesteld binnen drie maanden na de (verplichte) aantekening van de eerste dagvaarding (hier: die van RCJ) in het centraal register voor collectieve vorderingen.

Claimstichting CCC heeft, na RCJ, ook een collectieve vordering ingesteld tegen Apple. Volgens de rechtbank gaat die collectieve vordering over dezelfde gebeurtenis(sen) en over gelijksoortige feiten en rechtsvragen als die van RCJ. Dit blijkt ook wel uit het feit dat CCC in haar dagvaarding heeft verwezen naar de door RCJ aanhangig gemaakte zaak en dat CCC haar vorderingen heeft gegrond op dezelfde feiten als door RCJ gesteld. Dat betekent dat CCC haar vordering had moeten instellen binnen drie maanden na de inschrijving van RCJ’s dagvaarding in het centraal register (art. 1018d lid 1 Rv). Nu CCC niet op tijd is geweest, verklaart de rechtbank haar niet-ontvankelijk.

Een derde claimstichting, ASC, had van de rechtbank verlenging van de driemaandentermijn gekregen (art. 1018d lid 2 Rv). Maar aan die verlenging kan CCC volgens de rechtbank geen rechten ontlenen.

CCC heeft sprongcassatie ingesteld tegen haar niet-ontvankelijkverklaring.

(i) Deels andere rechtspersonen en een (gedeeltelijk) andere achterban

CCC had zes Apple-entiteiten gedagvaard, terwijl RCJ maar twee van die entiteiten had gedagvaard. De collectieve vordering van CCC richt zich dus deels tegen andere rechtspersonen. Ook zou de achterban van CCC op essentiële punten verschillen van de achterban van RCJ. Betekent dit dat CCC zich niet hoeft te houden aan het vereiste van art. 1018d lid 1 Rv dat zij haar dagvaarding binnen drie maanden had moeten uitbrengen?

De Hoge Raad overweegt als volgt. De WAMCA strekt tot invoering van een collectieve schadevergoedingsactie en heeft tot doel een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade te bevorderen. De art. 1018b-1018n Rv zijn er dan ook op gericht te bevorderen dat de gevolgen die eenzelfde gebeurtenis heeft voor een grote groep van personen zoveel mogelijk in één zaak worden afgewikkeld. De vraag of sprake is van dezelfde gebeurtenis(sen) en van gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen moet tegen de achtergrond van dit doel worden beantwoord. Om dat meer concreter te maken citeert de Hoge Raad een passage uit de memorie van toelichting bij de WAMCA (rov. 4.1.4).

Een en ander brengt de Hoge Raad ertoe te overwegen dat ook in een geval van deels andere aangesproken rechtspersonen en een (gedeeltelijk) andere achterban kan zijn voldaan aan het criterium van art. 1018d lid 1 Rv:

“Een collectieve vordering die deels tegen andere rechtspersonen is gericht of wordt ingesteld ten behoeve van een (gedeeltelijk) andere achterban dan de eerdere collectieve vordering, kan zien op ‘dezelfde gebeurtenis of gebeurtenissen’ en ‘gelijksoortige feitelijke en rechtsvragen’ als bedoeld in art. 1018d lid 1 Rv.”

 (ii) Reikwijdte termijnverlenging art. 1018d lid 2 Rv

ASC, de ‘derde’ claimstichting in dit verhaal, had zich tijdig gemeld en had vervolgens verlenging gekregen van de driemaandentermijn. Zo’n verlenging is mogelijk op grond van art. 1018d lid 2 Rv. Dat artikellid bepaalt dat de rechter de driemaandentermijn met maximaal drie maanden kan verlengen als een 3:305a-rechtspersoon binnen een maand (na de aantekening van de oorspronkelijke collectieve vordering in het centraal register) bij de griffie heeft laten aantekenen dat hij een collectieve vordering wil instellen voor dezelfde gebeurtenis(sen) als waarop de al ingestelde collectieve vordering betrekking heeft, maar dat de termijn van drie maanden niet volstaat.

Heeft deze verleende verlening algemene werking, zodat ook een rechtspersoon die niet om verlenging heeft verzocht (zoals CCC) van die verlengde termijn gebruik mag maken?

Nee, dat is niet het geval. De Hoge Raad overweegt dat moet worden aangenomen dat een verlenging naar de bedoeling van de wetgever uitsluitend geldt voor de rechtspersoon die om verlenging verzoekt en dus geen algemene werking heeft.

De onderbouwing hiervoor van de Hoge Raad komt neer op het volgende. In de memorie van toelichting bij de WAMCA staat dat met het slot van art. 1018d lid 2 Rv (“maar dat de termijn van drie maanden niet volstaat”) erop wordt gedoeld dat de driemaandentermijn voor de rechtspersoon die om verlenging verzoekt niet volstaat. Dit gegeven combineert de Hoge Raad met het feit dat verlenging van de driemaandentermijn een discretionaire bevoegdheid is. Daaruit leidt hij af dat de wijze waarop de rechter van die bevoegdheid gebruikmaakt in belangrijke mate wordt bepaald door de redenen die aan het verlengingsverzoek ten grondslag zijn gelegd. Een beslissing op een verlengingsverzoek zal dus zijn toegesneden op de situatie van de rechtspersoon die om verlenging verzoekt. Algemene werking van een termijnverlenging ligt daarmee niet voor de hand. Daar komt nog eens bij dat het geen vereiste is dat een beslissing tot termijnverlenging in het centraal register voor collectieve vorderingen wordt aangetekend.

 (iii) Proceskosten

In de procedure bij de rechtbank hadden de andere claimstichtingen, RCJ en ASC, zich wat betreft de ontvankelijkheid van CCC geschaard aan de kant van de Apple-entiteiten. De rechtbank heeft CCC (nadat zij niet-ontvankelijk werd verklaard) vervolgens niet alleen veroordeeld in de proceskosten van de Apple-entiteiten, maar ook in die van RCJ en ASC.

Dat is volgens de Hoge Raad in strijd met de – ook in deze collectieve actie toepasselijke – regel dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt veroordeeld (art. 237 lid 1 Rv). Met die kosten wordt namelijk gedoeld op de kosten van de wederpartij. Hoewel RCJ en ASC zich wat betreft de ontvankelijkheid van CCC hadden geschaard aan de kant van de wederpartij, bleven zij mede-eisers van CCC omdat zij net als CCC collectieve vorderingen hebben ingesteld tegen de Apple-entiteiten. CCC kon dus enkel worden veroordeeld in de proceskosten van de Apple-entiteiten.

Vereisten collectieve actie in hoger beroep en cassatie

De Hoge Raad herhaalt in deze zaak wat hij overwoog in zijn arrest van 21 februari 2025 (CB 2025-33) over de gegevens die bij een collectieve actie op grond van art. 1018c Rv in de dagvaarding moeten worden opgenomen. Die gegevens hoeven niet te worden opgenomen in de appeldagvaarding of de procesinleiding in cassatie. Deze processtukken hoeven evenmin te worden aangetekend in het centraal register voor collectieve vorderingen.

Afdoening

De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover CCC is veroordeeld in de kosten van haar mede-eisers. Verder blijft het vonnis in stand. Dat is in lijn met de conclusie van plv. P-G Wissink.

Share This

Cassatieblog.nl