HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:231

  1. Maandelijkse inning uit executoriaal loonbeslag is een daad van rechtsvervolging en daarmee een stuitingshandeling (art. 3:316 lid 1 BW).
  2. De bijzondere verjaringsregeling van art. 3:323 lid 3 BW speelt geen rol meer als het pand- of hypotheekrecht is tenietgegaan, bijvoorbeeld door uitwinning van het verbonden goed. Op een eventuele restschuld is de gewone verjaringsregeling van art. 3:307 lid 1 BW van toepassing.

Aanleiding

Eiser en zijn toenmalige partner hebben in 2007 met ABN AMRO een overeenkomst van geldlening gesloten en ABN AMRO een hypotheekrecht op hun woning verleend. Omdat een betalingsachterstand bij de aflossing is ontstaan heeft ABN AMRO in augustus 2010 de geldlening opgeëist en executoriaal loonbeslag ten laste van eiser gelegd, dat op 26 augustus 2010 aan hem is overbetekend.

De woning is in 2012 executoriaal verkocht en op 2 november 2012 geleverd. Er was daarna nog een restschuld.

De werkgever heeft sinds 2010 elke maand het op grond van het loonbeslag ingehouden loon afgedragen aan de deurwaarder, onder meer ter aflossing van de schuld aan ABN AMRO.

Vordering verjaard?

Eiser vordert in dit geschil een verklaring voor recht dat de vordering waarvoor ABN AMRO het executoriaal loonbeslag heeft laten leggen op 26 augustus 2015 dan wel 2 november 2017 is verjaard (oftewel 5 jaar na het leggen van het loonbeslag, dan wel levering van de woning).

Rechtbank en hof wijzen die vordering af. De Hoge Raad bevestigt hun oordeel en verwerpt het cassatieberoep van eiser.

De Hoge Raad stelt voorop dat voor de vordering van ABN AMRO tot betaling van de restschuld de gewone verjaringsregel van art. 3:307 lid 1 BW geldt. De verjaring kan worden gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging (art. 3:316 lid 1 BW) (rov. 3.2). Een daad van rechtsvervolging is een handeling die erop gericht is een vorderingsrecht geldend te maken. Daaronder wordt ook begrepen een daad van executie die in de vereiste vorm geschiedt. (rov. 3.3)

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat niet alleen het leggen van het loonbeslag zelf, maar ook de periodieke inning van het door het beslag getroffen loon een daad van rechtsvervolging is. Die inning is immers een daad van executie die erop gericht is het vorderingsrecht van ABN AMRO geldend te maken. Het oordeel van het hof dat de maandelijkse inning van het loonbeslag een maandelijks terugkerende stuitingshandeling is, is dus juist, zo besluit de Hoge Raad. Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen (rov. 3.4).

De Hoge Raad volgt hiermee de conclusie van A-G Snijders.

Betekenis art. 3:323 lid 1 BW?

In het voorwaardelijke incidentele beroep werd nog aan de orde gesteld welke rol art. 3:323 BW in dit verband heeft. Lid 1 van art. 3:323 BW bepaalt dat door voltooiing van de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis de pand- of hypotheekrechten die tot zekerheid daarvan strekken, tenietgaan. Dat betekent dat na verjaring van een vordering ook de daaraan verbonden pand- en hypotheekrechten niet meer kunnen worden uitgeoefend.

Lid 3 van art. 3:323 BW verlengt de verjaringstermijn van de in lid 1 bedoelde vordering tot 20 jaar na de aanvang van de dag volgend op die waarop de hypotheek aan de verbintenis is verbonden.  Uit de toelichting op art. 3:323 lid 3 BW blijkt, zo overweegt de Hoge Raad, dat is bedoeld een uitzondering te maken op de verjaringstermijn van vijf jaar van art. 3:307 BW, om te voorkomen dat de hypotheekhouder voor onaangename verrassingen komt te staan door de werking van art. 3:323 lid 1 BW (rov. 3.8)

De Hoge Raad verduidelijkt dat deze bijzondere regel geen rol meer heeft als het hypotheekrecht teniet is gegaan, zoals (in dit geval) door uitwinning van het verbonden goed. Er bestaat dan geen grond meer voor de extra bescherming die art. 3:323 lid 3 BW biedt. Voor de restschuld geldt dus de gewone verjaringsregel van art. 3:307 lid 1 BW. De verjaringstermijn loopt in dat geval van de aanvang van de dag volgend op die waarop het hypotheekrecht is tenietgegaan.

Ook op dit punt volgt de Hoge Raad de A-G.

Share This

Cassatieblog.nl