Selecteer een pagina

HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:413

Bij een inzageverzoek op grond van art. 843a (oud) Rv dat volgt op een eerder bewijsbeslag is niet vereist dat de rechtsbetrekking die aan het verzoek ten grondslag wordt gelegd in het verlengde ligt van de grondslag van het voorafgaande bewijsbeslag. Verder kan het inzageverzoek ook betrekking hebben op andere bescheiden dan waarop eerder bewijsbeslag is gelegd.

Aanleiding

Deze zaak betreft een inzageverzoek op grond van art. 843a (oud) Rv, zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht op 1 januari 2025.

Verzoekster ontwikkelt via een aantal dochtermaatschappijen een vastgoedproject in Costa Rica. Verweerder was sinds 2011 als bestuurder van een van deze dochtermaatschappijen verantwoordelijk voor het beheer van dit project. Nadat het vermoeden is gerezen dat verweerder in die hoedanigheid grootschalige fraude heeft gepleegd, laat verzoekster in 2022 met verlof van de voorzieningenrechter bewijsbeslag leggen ten laste van verweerder.

Vervolgens dienen verzoekster en haar dochtermaatschappijen een verzoekschrift op grond van art. 843a (oud) Rv in om verweerder te veroordelen inzage te geven in een groot aantal bescheiden die verband houden met het vastgoedproject. Zowel de rechtbank als het hof wijzen dat verzoek gedeeltelijk toe. Het hof stelt hierbij een aantal beperkingen aan de inzage en legt daar (onder meer) aan ten grondslag dat een inzagevordering na een bewijsbeslag wat betreft de rechtsbetrekking en de in dat kader verlangde bescheiden in het verlengde moet liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag.

 In cassatie

In cassatie komt verzoekster op tegen de beperkingen die het hof aan de inzage heeft gesteld. De klacht gericht tegen het oordeel van het hof dat de gronden van het inzageverzoek moeten aansluiten op de grondslag van het eerder gelegde bewijsbeslag is volgens de Hoge Raad gegrond:

“3.2.3 (…) Art. 843a lid 1 (oud) Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Art. 843a (oud) Rv eist niet dat de rechtsbetrekking die aan het inzageverzoek ten grondslag wordt gelegd, in het verlengde ligt van de grondslag van een voorafgaand aan het verzoek gelegd bewijsbeslag, indien inzage wordt gevorderd in bescheiden waarop bewijsbeslag rust. Daarnaast geldt dat het inzageverzoek na een bewijsbeslag ook betrekking kan hebben op andere bescheiden dan waarop eerder bewijsbeslag is gelegd. Het bewijsbeslag dient slechts als een bewarende maatregel om een veroordeling tot inzage te kunnen executeren, en beperkt niet het recht op inzage ingevolge art. 843a (oud) Rv.”

Deze klacht leidt overigens niet tot cassatie, omdat het hof de betreffende beperking mede daarop had gegrond dat verzoekster haar nadere verzoek tot inzage – in strijd met de tweeconclusieregel in appel – te laat had gedaan. Dat oordeel kan de beperking zelfstandig dragen. Omdat de Hoge Raad daarnaast een aantal motiveringsklachten gegrond bevindt, kunnen de bestreden beschikkingen echter niet in stand blijven.

 Afdoening

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikkingen en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing. De beslissing is in lijn met de conclusie van A-G De Bock.

Share This

Cassatieblog.nl