HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:95
Wie in eerste aanleg geen (gevoegde) partij is, kan géén hoger beroep instellen. Een gevoegde partij, kan wél hoger beroep instellen, maar alleen als daarbij voldoende belang bestaat.
Een proceskostenveroordeling in eerste aanleg levert in Arubaanse zaken – net zoals in de overige Caribische delen van het Koninkrijk – niet zonder meer voldoende belang op voor hoger beroep.
Feiten en procesverloop
Van der Valk heeft ten laste van FMV beslag laten leggen voor de voldoening van een koopsomvordering voor aandelen.
In kort geding vordert FMV primair dat Van der Valk wordt bevolen om de beslagen op te heffen. FMV vordert subsidiair dat (a) Antilla en Iberostar (hierna: Antilla c.s.) worden bevolen om ten gunste van Van der Valk voldoende zekerheid te stellen door het afgeven van een bankgarantie aan Van der Valk, zodat (b) Van der Valk deze beslagen alsnog dient op te heffen. In eerste aanleg heeft Antilla zich met betrekking tot de primaire vordering aan de zijde van FMV gevoegd; Iberostar heeft dat niet gedaan.
Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba heeft geoordeeld dat Van der Valk betaling van de koopsom kan verlangen; de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk wordt afgewezen. De subsidiaire vordering van FMV tegen Antilla c.s. heeft het Gerecht toegewezen, zodat Antilla c.s. wordt bevolen om ten gunste van Van der Valk voldoende zekerheid te stellen. De subsidiaire vordering van FMV tegen Van der Valk om de beslagen na ontvangst van de bankgarantie op te heffen, heeft het Gerecht ook toegewezen. Ten aanzien van het onderdeel van de procedure dat betrekking had op de primaire vordering, zijn FMV en Antilla veroordeeld in de proceskosten.
Antilla c.s. hebben twee afzonderlijke hoger beroepen ingesteld. Een beroep richt zich op het vonnis voor zover dat betrekking heeft op (de afwijzing van) de primaire vordering van FMV tegen Van der Valk. Het andere beroep richt zich op het vonnis voor zover dat betrekking heeft op (de toewijzing van) de subsidiaire vordering van FMV tegen Antilla c.s.
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft het oordeel van het Gerecht bekrachtigd dat ziet op het bevel aan Van der Valk om de beslagen op te heffen, met uitzondering van de passage over de afgifte van een bankgarantie van Antilla c.s. aan Van der Valk. Het hof heeft het vonnis (voor het overige) vernietigd, en verstaan dat het niet toekomt aan het hoger beroep dat ziet op de subsidiaire vordering, omdat het Gerecht de primaire vordering had behoren toe te wijzen.
Van der Valk heeft cassatie ingesteld tegen het vonnis van het hof.
Uitgangspunt in cassatie
In cassatie is aan de orde gesteld wie hoger beroep kan instellen en wanneer sprake is van belang bij hoger beroep.
De Hoge Raad stelt voorop dat het hof de primaire vordering heeft beoordeeld en toegewezen, en de subsidiaire vorderingen niet. Dat blijkt uit de beslissing van het hof die erop neerkomt dat Van der Valk de beslagen moest opheffen, zonder dat Antilla c.s. eerst zekerheid hoefde te stellen. Dat blijkt daarnaast uit de betreffende rechtsoverwegingen in het arrest, de kop die daarboven staat (“de primaire vordering van FMV”) en het dictum, waarin het hof onder meer heeft verstaan niet aan de subsidiaire vorderingen toe te komen en waarin het Van der Valk heeft veroordeeld in de proceskosten.
Wie kan hoger beroep instellen?
In cassatie werd geklaagd dat Iberostar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in haar hoger beroep
De Hoge Raad overweegt dat de vraag of en voor wie een rechtsmiddel openstaat, evenals ten aanzien van welke partijen een rechtsmiddel en de daarop gedane uitspraak werking kunnen hebben, tot de geldende regels van openbare orde behoren. Zij moeten daarom door de rechter indien nodig ambtshalve worden toegepast. Uit art. 260 Rv Aruba volgt dat hoger beroep alleen kan worden ingesteld door en tegen degenen die in eerste aanleg partij waren. In Nederland geldt dat overigens ook, op grond van art. 332 Rv.
FMV heeft in deze procedure in eerste aanleg, drie voor afzonderlijke berechting vatbare, vorderingen ingesteld tegen verschillende partijen. Daarmee is sprake van subjectieve cumulatie. Daarvan is sprake wanneer een eiser in één dagvaarding vorderingen instelt tegen meerdere gedaagden, zoals hier het geval is, of wanneer meerdere eisers in één dagvaarding vorderingen instellen tegen één gedaagde. Het doel hiervan is om deze op zichzelf staande vorderingen in een en dezelfde procedure te laten behandelen. Dergelijke vorderingen kunnen wel gezamenlijk worden behandeld, maar de zaken tegen ieder van de partijen behouden hun processuele zelfstandigheid. In de onderhavige zaak heeft FMV vorderingen tegen zowel Van der Valk als tegen Antilla c.s. ingesteld.
FMV heeft de primaire vordering uitsluitend gericht tegen Van der Valk. Iberostar heeft zich, anders dan Antilla, in die zaak niet als procespartij gevoegd. In die zaak was Iberostar dus geen partij en kon zij geen hoger beroep instellen. De klacht slaagt.
Wie en wanneer belang bij hoger beroep?
In cassatie werd daarnaast geklaagd Antilla c.s. geen belang hebben bij hun hoger beroep tegen de afwijzing van de primaire vordering, omdat FMV geen hoger beroep heeft ingesteld. Het hof had de afwijzing van de primaire vordering dus in stand had moeten laten, zo werd geklaagd.
De Hoge Raad behandelt deze klacht slechts ten aanzien van Antilla, omdat Iberostar niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden.
De Hoge Raad overweegt dat Antilla als gevoegde partij het recht heeft om zelfstandig, los van FMV die de vordering heeft ingesteld, en op zelfstandig aangevoerde gronden tegen Van der Valk een rechtsmiddel te wenden, mits zij daarbij voldoende belang heeft als bedoeld in art. 3:303 BW Aruba.
Omdat FMV geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van haar primaire vordering, heeft die afwijzing in de verhouding tussen FMV en Van der Valk kracht van gewijsde gekregen. Het hoger beroep van Antilla kon daaraan niets veranderen en kon dus ook niet leiden tot toewijzing van de primaire vordering. In zoverre heeft Antilla geen (voldoende) belang bij hoger beroep.
Dat belang lag voor Antilla ook niet zonder meer in de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. In Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba volgt uit het Wetboek van Rechtsvordering dat een proceskostenveroordeling op zichzelf geen voldoende belang oplevert voor hoger beroep. Of zo’n bepaling ook in Aruba in werking is getreden, is echter onduidelijk. Het concordantiebeginsel, dat volgt uit art. 39 lid 1 Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, brengt mee dat gelijkluidende wettelijke regelingen in Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten zo veel mogelijk op dezelfde zin moeten worden uitgelegd. De Hoge Raad overweegt dat het concordantiebeginsel óók ziet op concordantie van recht en rechtspraak bínnen bepaalde delen van het Koninkrijk, in dit geval de Caribische delen. Dat brengt mee dat het hof (ook) in Arubaanse zaken kan beslissen dat een proceskostenveroordeling onvoldoende belang oplevert voor hoger beroep, gezien de wettelijke bepalingen daarover in de andere delen van de Caribische delen van het Koninkrijk. Dat past bij de bedoeling van de Arubaanse wetgever om het procesrecht te harmoniseren en bij het voornemen om een dergelijke bepaling in te voeren, terwijl niet is gebleken dat welbewust van invoering daarvan is afgezien.
Afdoening
De Hoge Raad vernietigt het vonnis van het hof en verwijst het geding terug naar dat hof. Dit wijkt af van de conclusie van A-G Snijders. Van der Valk werd in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en Maartje Möhring.