HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:41 (Eiser/Dexia Nederland B.V.)

Voor overeenkomsten waarbij de looptijd wordt verlengd van eerder gesloten aandelenleaseovereenkomsten die als huurkoop moet worden gekwalificeerd, is toestemming van de andere echtgenoot vereist, evenzeer als voor de oorspronkelijke overeenkomsten.

In eerdere arresten van de Hoge Raad is uitgemaakt dat aandelenleaseovereenkomsten onder omstandigheden moeten worden aangemerkt als koop op afbetaling (en huurkoop) in de zin van de Vijfde titel A van Boek 7A BW (zie bijv. HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837, NJ 2009/578). Dat betekent dat voor het aangaan van een dergelijk overeenkomst toestemming vereist is van de niet handelende echtgenoot (art. 1:88 lid 1 sub d BW). Bij gebreke van die toestemming kan de overeenkomst door de niet handelende echtgenoot worden vernietigd (art. 1:89 BW). Deze rechtsvordering tot vernietiging verjaart drie jaar nadat aan de niet handelende echtgenoot ter kennis is gekomen dat de overeenkomst is gesloten (art. 3:52 lid 1 sub d BW en HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6106, NJ 2012/603).

Eiser tot cassatie heeft in 1997 vijf aandelenleaseovereenkomsten gesloten met een rechtsvoorgangster van Dexia (hierna ook: de initiële overeenkomsten). Na de looptijd van 60 maanden zijn eiser tot cassatie en Dexia overeengekomen dat de looptijd van deze initiële overeenkomsten wordt verlengd (hierna: de verlengingsovereenkomsten). Voor geen van deze overeenkomsten had de echtgenote van eiser tot cassatie toestemming gegeven. Daarom heeft zij zich beroepen op de vernietigbaarheid van deze overeenkomsten.

De kantonrechter oordeelde echter dat de rechtsvordering tot vernietiging van de initiële overeenkomsten reeds was verjaard. In appel spitste de zaak zich toe op de vraag of de verlengingsovereenkomsten an sich (los van de initiële overeenkomsten) wél door de echtgenote konden worden vernietigd. Volgens het hof was dat niet het geval omdat deze overeenkomsten niet onderworpen zijn aan het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 1 sub d BW.

In cassatie betoogt eiser tot cassatie dat voor verlengingsovereenkomsten als de onderhavige – waarbij de looptijd wordt verlengd van eerder gesloten aandelenleaseovereenkomsten die als huurkoop moeten worden gekwalificeerd – wel degelijk de toestemming van de andere echtgenoot is vereist, evenzeer als voor de initiële overeenkomsten. De Hoge Raad acht dit betoog gegrond:

3.3.2 (…) De hier aan de orde zijnde overeenkomsten houden in dat de looptijd van de eerder aangegane leaseovereenkomsten wordt verlengd, met handhaving van de voorwaarden daarvan. De ratio van art. 1:88 lid 1 BW is om echtgenoten, in hun belang en dat van het gezin, tegen elkaar te beschermen, onder meer wat betreft het verrichten van rechtshandelingen die kunnen ingrijpen in hun financiële positie, zoals die tot het aangaan van de in het artikellid onder d genoemde koop op afbetaling (waaronder ook valt die tot het aangaan van een huurkoop). Deze ratio brengt mee dat ook voor verlengingsovereenkomsten zoals hier aan de orde, de toestemming van de andere echtgenoot is vereist. Aan die overeenkomsten is immers hetzelfde bezwaar verbonden als aan de oorspronkelijk aangegane overeenkomsten, namelijk dat deze leiden tot de verplichting om maandelijks (nieuwe) termijnbetalingen te verrichten voor de duur van de (nieuwe) looptijd.”

Eiser tot cassatie is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en de auteur.

Share This