Selecteer een pagina

HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1237

Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan de bancaire zorgplicht meebrengen dat de bank zich ervan vergewist of de ondernemer zich van een mogelijke toekomstige nadelige ontwikkeling bewust is en, indien dit niet het geval blijkt, haar kennis daarover met deze deelt.

Achtergrond

Op 7 augustus 2014 zijn Rabobank en een maatschap, bestaande uit een vader, een moeder en hun zoon, een kredietovereenkomst aangegaan om de bouw van een nieuwe stal en de aankoop van nieuwe grond mogelijk te maken. Het bedrijf zou uitbreiden naar 199 melkkoeien en 141 stuks jongvee. Na de invoering van het fosfaatrechtenstelsel op 1 januari 2018 bleek deze uitbreiding echter niet meer mogelijk. De maatschap vordert veroordeling van Rabobank tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, voor het nadeel dat zij heeft geleden door dwaling bij het aangaan van de kredietovereenkomst, dan wel als gevolg van schending door Rabobank van haar zorgplicht.

Het geding bij het hof

Bij tussenarrest van 31 oktober 2023 heeft het hof Rabobank toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, van de door het hof voorshands aannemelijk geachte stelling, dat Rabobank de maatschap voorafgaand aan de kredietovereenkomst niet heeft gewaarschuwd voor de mogelijke invoering van productiebeperkende maatregelen zoals een fosfaatrechtenstelsel en de daaruit voortvloeiende risico’s voor de bedrijfsvoering en de financiële positie van de maatschap. Het hof heeft bij tussenarrest van 2 januari 2024 tussentijds cassatieberoep opengesteld. Rabobank heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De maatschap heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Juridisch kader

Het is vaste rechtspraak dat de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht met zich brengt. Hierbij kan het onder meer gaan om onderzoeks-, advies-, informatie- en waarschuwingsplichten. De exacte inhoud en reikwijdte van deze bijzondere zorgplicht is onder meer afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaringen van de betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico’s (HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1274 en HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1276, rov. 2.9.2, onder verwijzing naar HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2298, rov. 3.4.2, CB 2019-17).

Het geding in cassatie

Rabobank klaagt primair dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zij wijst erop dat de geldlening geen ingewikkeld product is, de cliënt een onderneming is, geen sprake was van een advies- of opdrachtrelatie en dat de maatschap zelf de financieringsaanvraag had opgesteld. Volgens Rabobank hoeft zij enkel te toetsen of de kredietnemer de financieringslasten zou kunnen voldoen en hoeft zij niet te corrigeren voor een gebrek aan inzicht over een kwestie die tot het terrein van de ondernemer behoort. Volgens de Rabobank hoeft dit laatste ook niet indien voor de bank kenbaar is dat de kredietnemer geen rekening houdt met een toekomstige ontwikkeling die kan maken dat de financiële lasten zwaarder op de onderneming gaan drukken.

De Hoge Raad overweegt dat de zorgplicht van een bank beperkt is bij geldleningen aan een onderneming, omdat een geldlening geen ingewikkeld product is en de cliënt geen consument is. Afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, kan de bancaire zorgplicht echter ook dan wel degelijk meebrengen dat de bank zich ervan vergewist of de ondernemer zich van mogelijke toekomstige ontwikkeling bewust is en, indien dit niet het geval blijkt, haar kennis daarover met deze deelt. Volgens de Hoge Raad bestaat geen grond om een dergelijke vergewisplicht en informatieplicht in algemene zin uit te sluiten voor een geval waarin het gaat om een mogelijke wijziging van wetgeving op een terrein waarop de onderneming van de kredietnemer actief is.

Toch slaagt het cassatieberoep van Rabobank. Het hof is namelijk niet ingegaan op een aantal stellingen van Rabobank ten aanzien van wat de maatschap wist of geacht mocht worden te weten. Deze stellingen waren volgens de Hoge Raad relevant voor de beoordeling of Rabobank rekening moest houden met de mogelijkheid dat de maatschap bij het aangaan van de kredietovereenkomst onvoldoende oog had voor mogelijke toekomstige productiebeperkende maatregelen.

Het incidentele cassatieberoep van de maatschap wordt met toepassing van art. 81 RO verworpen.

De Hoge Raad vernietigt het arrest, conform de conclusie van A-G Valk, en verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Share This

Cassatieblog.nl