HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1665

Bij een rechtskeuze op de voet van art. 3 lid 1 Rome I is niet uitgesloten dat partijen een deel van een statelijk rechtsstelsel, en niet dat stelsel in zijn geheel, als het toepasselijke recht aanwijzen.

Achtergrond

Verweerder in cassatie, Universal Africa Lines Ltd. (hierna: UAL), heeft met eiser tot cassatie, Airgas USA LLC (hierna: Airgas), een overeenkomst gesloten waarbij UAL als vervoerder onder cognossement negen containers met gekoelde vloeibare ethyleen van afzender Airgas per schip vervoert van de Verenigde Staten naar Angola. Gekoelde vloeibare ethyleen is een gevaarlijke, ontvlambare stof. Bij het lossen van de lading hebben één of meerdere explosies plaatsgevonden. Vervolgens is het brand uitgebroken, wat heeft geleid tot schade aan het schip en de overige lading.

De cognossementsovereenkomst tussen UAL en Airgas bevat in art. 2 een rechtskeuze voor Nederlands recht, waarin de Hague-Visby Rules zijn opgenomen. Datzelfde artikel bevat ook een zogenaamde Clause Paramount op basis waarvan de Carriage of Goods by Sea Act of the United States (hierna: US COGSA) van toepassing is bij vervoer van of naar een Amerikaanse haven, zoals in deze zaak aan de orde.

UAL vordert in deze procedure onder meer een verklaring voor recht dat Airgas aansprakelijk is voor alle gevolgen van het incident en een veroordeling van Airgas tot vergoeding van de schade die UAL als gevolg van het incident heeft geleden. Hierbij beroept UAL zich op de vrijwaringsverplichting van de afzender die de cognossementsvoorwaarden bevatten voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Volgens Airgas is deze verplichting echter in strijd met de volgens haar toepasselijke dwingendrechtelijke bepalingen, in het bijzonder met art. 4 lid 3 van de Hague-Visby Rules.

Zowel de rechtbank als het hof hebben de vorderingen van UAL toegewezen en het hierboven beschreven verweer van Airgas verworpen. Airgas heeft cassatieberoep ingesteld en UAL heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Juridisch kader

Art. 3 lid 1 Rome I (Verordening (EG) 593/2008) bepaalt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen hebben gekozen. Bij hun keuze kunnen partijen het toepasselijke recht aanwijzen voor de overeenkomst in haar geheel of voor slechts een onderdeel daarvan.

Art. 3 lid 8 van de Hague-Visby Rules bepaalt dat nietig is ieder beding in een vervoerovereenkomst onder cognossement waardoor de vervoerder of het schip wordt ontheven van aansprakelijkheid voor verlies of beschadiging van of met betrekking tot zaken voortvloeiende uit nalatigheid, schuld of tekortkoming van specifieke wettelijke verplichtingen of waardoor deze aansprakelijkheid mocht worden verminderd.

Art. 4 lid 3 van de Hague-Visby Rules en art. 8:383 lid 3 BW bepalen dat bij een vervoerovereenkomst onder cognossement de afzender niet aansprakelijk is voor de door de vervoerder of het schip geleden verliezen of schaden, voortgevloeid of ontstaan uit welke oorzaak dan ook, zonder dat sprake is van een handeling, schuld of nalatigheid van de afzender, zijn agenten of ondergeschikten.

Het geding in cassatie

In het principale cassatieberoep klaagt Airgas dat de toepasselijkverklaring van de US COGSA geen conflictenrechtelijke rechtskeuze kan opleveren, omdat de US COGSA geen rechtsstelsel is, maar slechts een deel van een rechtsstelsel, en dat deze toepasselijkverklaring daarom niet de dwingendrechtelijke bepalingen van het gekozen Nederlandse recht opzij kan zetten.

De Hoge Raad overweegt dat een rechtskeuze als bedoeld in art. 3 lid 1 Rome I ten aanzien van een bepaald onderdeel van de overeenkomst tot gevolg heeft dat de bepalingen van het voor dat onderdeel aangewezen recht van toepassing zijn, ook waar zij zouden afwijken van dwingendrechtelijke bepalingen die op de rest van de overeenkomst van toepassing zijn. Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat bij een rechtskeuze op grond van art. 3 lid 1 Rome I niet is uitgesloten dat partijen een deel van een statelijk rechtsstelsel (zoals US COGSA), en niet dat stelsel in zijn geheel, als het toepasselijke recht aanwijzen. Het hof heeft dan ook terecht geoordeeld dat in dit geval aan het overigens door partijen gekozen Nederlandse rechts slechts aanvullende werking toekomt.

Airgas komt voorts op tegen het oordeel van het hof dat de vrijwaringsverplichting rechtsgeldig is onder de US COGSA. Airgas klaagt dat het hof met dit oordeel art. 1303(8) en art. 1304(3) US COGSA heeft miskend. Airgas meent dat het oordeel van het hof op dit punt op juistheid kan worden getoetst – en niet slechts op begrijpelijkheid zoals gebruikelijk bij oordelen over de uitleg van vreemd recht (art. 79 lid 1 aanhef en sub b RO). Volgens Airgas is art. 1303(8) US COGSA namelijk identiek aan art. 3(8) Hague-Visby Rules en is art. 1304(3) US COGSA identiek aan art. 3(4) Hague-Visby Rules en art. 8:383 lid 3 BW.

De Hoge Raad volgt deze redenering niet en overweegt dat indien de rechter de anti-kiesregel toepast, in een geval waarin naast het Nederlandse rechtsstelsel een of meer buitenlandse rechtsstelsels voor toepassing in aanmerking (zouden) kunnen komen, in cassatie de juistheid van zijn oordeel alleen naar Nederlands recht kan worden beoordeeld. Deze anti-kiesregel houdt in dat de Hoge Raad toestaat dat de rechter in gevallen waarin eigen en vreemd recht naar inhoud of toepassingsresultaat niet verschillen, in het midden laat welk recht toepasselijk is. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof hier de anti-kiesregel niet heeft toegepast, nu het hof juist is uitgegaan van de toepasselijkheid van de US COGSA – en de toepasselijkheid niet in het midden heeft gelaten. Gelet op art. 79 lid 1 aanhef en sub b RO, kan het oordeel van het hof over art. 1303(8) en 1304(3) US COGSA dan ook niet op juistheid worden onderzocht, zelfs niet als zij al gelijk zouden zijn aan regels van Nederlands recht.

Tot slot klaagt Airgas nog dat het hof diens oordeel over de rechtsgeldigheid van de vrijwaringsverplichting onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. Het hof had volgens Airgas namelijk nagelaten om haar beroep op art. 1304(3) US COGSA (kenbaar) in zijn beoordeling te betrekken. De Hoge Raad oordeelt dat ook deze klacht afstuit op art. 79 lid 1 aanhef en sub b RO. Deze klacht laat zich volgens de Hoge Raad namelijk niet beoordelen zonder daarbij de juistheid van het oordeel van het hof over de US COGSA te betrekken.

De Hoge Raad verwerpt ook de overige klachten van Airgas (met toepassing van art. 81 RO) en komt, nu het arrest in stand kan blijven, niet toe aan het door UAL voorwaardelijk ingestelde cassatieberoep.

De Hoge Raad verwerpt zodoende het principaal cassatieberoep, conform de conclusie van A-G Snijders.

Share This

Cassatieblog.nl