HR 12 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1899

Onder omstandigheden kan ook een verwijzing naar of herhaling van wat in eerste aanleg is aangevoerd als grief worden aangemerkt. Bepalend is of deze grond waarop de bestreden uitspraak zou moeten worden vernietigd behoorlijk naar voren is gebracht zodat die voor de rechter en de wederpartij kenbaar is. In dit geval is daarvan sprake.

Is een stichting aan vennootschapsbelasting onderworpen?

Aanleiding voor deze uitspraak is het faillissement van de Stichting Social Care 24/7. De curator stelt de (voormalig) bestuurders van de stichting aansprakelijk voor het faillissementstekort op grond van art. 2:300a (oud) BW in verbinding met art. 2:138 BW. Art. 2:138 BW bepaalt dat bestuurders van een vennootschap bij faillissement aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort als zij hun taak onbehoorlijk hebben vervuld. Art. 2:300a (oud) BW hield in dat (onder meer) art. 2:138 BW van overeenkomstige toepassing is in geval van faillissement van een stichting die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen.

De zaak concentreert zich op de vraag of de failliete stichting aan de heffing van vennootschapsbelasting was onderworpen. De voormalig bestuurders van de Stichting betoogden dat dat niet zo was, omdat zij zich konden beroepen op een vrijstelling van de heffing van die belasting voor zorginstellingen. De rechtbank verwerpt dat betoog en oordeelt dat de Stichting aan de heffing van vennootschapsbelasting was onderworpen; de vrijstelling doet daaraan niet af. Art. 2:138 BW is dus op de Stichting van toepassing.

Voldoet de grief aan de daaraan te stellen eisen?

De voormalige bestuurders gaan in hoger beroep en richten een grief tegen dit oordeel van de rechtbank. Deze grief en de toelichting daarop luiden (zie punt 3.5 van de conclusie van A-G Vlas):

‘Grief III
72. De rechtbank oordeelt ten onrechte in rov. 5.12 dat art. 2:138 BW van toepassing is op Social Care als stichting.

Toelichting
73. In 1e aanleg is betoogd dat en waarom volgens [eisers] art. 2:138 BW niet van toepassing is. Deze grief dient om al hetgeen hiertoe is aangevoerd in 1e aanleg, door de toenmalige advocaat van [eisers], integraal ter herbeoordeling van het hof voor te leggen.’

Het hof vindt dat deze grief niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De voormalig bestuurders hebben, zo overweegt het hof, in de toelichting op deze grief volstaan met een verwijzing naar wat zij daarover bij de rechtbank hebben aangevoerd en vervolgens het hof om een herbeoordeling gevraagd van dit punt. Zij hebben daarmee niet uitgelegd of toegelicht waarom dat oordeel van de rechtbank onjuist zou zijn. Aan zo’n grief gaat het hof dan ook als onvoldoende gepreciseerd en gemotiveerd voorbij, zo overweegt het hof.

Hoge Raad: wel sprake van een grief

De Hoge Raad oordeelt anders.  Daarbij stelt de Hoge Raad voorop dat als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Die gronden moeten behoorlijk naar voren zijn gebracht in het geding, zodat zij voldoende kenbaar zijn voor de rechter en voor de wederpartij, welke laatste immers moet kunnen weten waartegen zij zich in de procedure in hoger beroep heeft te verweren. Indien is volstaan met een verwijzing naar of herhaling van hetgeen in eerste aanleg is gesteld, hangt het af van de omstandigheden van het geval of aan deze eis is voldaan.

In dit geval was, zo oordeelt de Hoge Raad, voor het hof voldoende duidelijk tegen welk oordeel van de rechtbank de grief was gericht en op welke gronden de voormalig bestuurders betoogden dat dat oordeel moest worden vernietigd. De Hoge Raad betrekt daarbij ook dat (zoals blijkt uit punt 3.7 van de conclusie van de A-G) voor de curator duidelijk was waartegen hij verweer moest voeren.

De Hoge Raad vernietigt het arrest overeenkomstig de conclusie van de A-G en verwijst de zaak. Na verwijzing zal dus worden geoordeeld of de Stichting wel of niet was onderworpen aan de heffing van vennootschapsbelasting.

 

Share This

Cassatieblog.nl