HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1807
Een proces-verbaal van schikking heeft slechts executoriale kracht voor vorderingen die daarin met voldoende bepaaldheid zijn omschreven. Daarvan is geen sprake als het ontstaan van de vordering afhankelijk is van bij de opstelling van het stuk onzekere, toekomstige gebeurtenissen.
Feiten en procesverloop
Partijen hebben bij de rechtbank een schikking getroffen die is vastgelegd in een proces-verbaal. Daarin is een geheimhoudingsbeding opgenomen, op straffe van een boete.
Volgens de schuldeiser was het geheimhoudingsbeding overtreden en waren er boetes verschuldigd geworden. De schuldeiser heeft in verband daarmee executoriaal beslag gelegd op aandelen van de schuldenaar.
De schuldeiser is een procedure ex art. 474g Rv gestart. Daarin verzoekt de schuldeiser te bepalen dat en binnen welke termijn zij de aandelen waarop executoriaal beslag is gelegd mag verkopen. De schuldenaar betwistte dat het geheimhoudingsbeding was overtreden en eiste in een bodemprocedure dat de executie werd gestaakt.
De rechtbank heeft dat verzoek van de schuldeiser in de procedure ex art. 474g Rv afgewezen en het hof heeft dat oordeel bekrachtigd.
(On)voldoende bepaalbaarheid van de vordering
In cassatie wordt aan de orde gesteld of het hof terecht heeft geoordeeld dat voor het antwoord op de vraag of een proces-verbaal van schikking ter zitting een executoriale titel oplevert, kan worden aangesloten bij de vaste rechtspraak over de executoriale kracht van authentieke akten.
De Hoge Raad stelt voorop dat een executoriale titel die niet in een rechterlijke uitspraak maar in een ander stuk is belichaamd, de schuldeiser de bevoegdheid geeft om de in die titel vermelde aanspraak direct (zonder tussenkomst van een rechter) met dwangmiddelen ten uitvoer te leggen, indien nodig met bijstand van de sterke arm. Dit is verstrekkend en ingrijpend. Het is daarom dat van executoriale kracht pas sprake is indien de vordering met voldoende bepaaldheid in het stuk is omschreven. Daarvan is geen sprake als het ontstaan van een vordering afhankelijk is van bij de opstelling van het stuk onzekere, toekomstige gebeurtenissen, zoals de overtreding van een geheimhoudingsbeding waaraan een contractuele boete is verbonden. Het stuk is dan voor die vordering niet een executoriale titel. Dat geldt ook voor een proces-verbaal van een zitting waarin een schikking is vastgelegd. Het hof heeft dus met juistheid geoordeeld dat de vraag of een proces-verbaal van schikking een executoriale titel oplevert, moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf die geldt voor de beoordeling van de executoriale kracht van authentieke akten.
In cassatie werd tevergeefs een vergelijking gemaakt tussen het boetebeding in een proces-verbaal en een dwangsom die in een rechterlijke uitspraak is opgelegd. De schuldeiser betoogde dat het in beide gevallen gaat om een executoriale titel waarin is vastgelegd dat de schuldenaar bij overtreding van een verplichting een geldbedrag verschuldigd wordt, zodat de schuldeiser dit bedrag zonder tussenkomst van de rechter onmiddellijk na betekening kan innen.
De Hoge Raad verwerpt deze gelijkstelling. Voor de dwangsom bepaalt art. 611c, tweede zin, Rv uitdrukkelijk dat de partij die de veroordeling heeft verkregen, de verbeurde dwangsommen ten uitvoer kan leggen krachtens de titel waarbij zij zijn vastgesteld. Een dergelijke wettelijke bepaling ontbreekt voor een contractuele boete die is opgenomen in een proces-verbaal van schikking. Daarom geldt hier de hoofdregel van art. 430 Rv dat voor de tenuitvoerlegging van de boete eerst een rechterlijke uitspraak is vereist waarin wordt vastgesteld dat de boete is verbeurd en tot welk bedrag.
Geen executoriale titel in de art. 474g Rv procedure
In cassatie werd daarnaast aan de orde gesteld het oordeel van het hof dat de procedure op de voet art. 474g Rv niet is bedoeld om te komen tot de vaststelling dat het geheimhoudingsbeding is overtreden, zodat in die procedure niet alsnog een executoriale titel kan worden verleend. De Hoge Raad bevestigt dat oordeel. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het uitgangspunt van de regeling van art. 474g Rv is dat degene die beslag legt, reeds beschikt over een executoriale titel. De procedure leent zich dus niet voor een inhoudelijke beoordeling van de vraag of het geheimhoudingsbeding is overtreden.
De schuldeiser moet dus de uitkomst van de bodemprocedure afwachten vóórdat zij eventuele boetes kan innen (door de aandelen executoriaal te verkopen).
Conclusie
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Dat strookt met de conclusie van A-G Snijders.