HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1805
Er is in deze zaak volgens de Hoge Raad sprake van een kennelijke fout nu een in een tussenvonnis bij wijze van bindende eindbeslissing toegewezen vordering in het eindvonnis alsnog is afgewezen. De beoordeling in hoger beroep beperkt zich verder volgens de Hoge Raad, nu op grond van art. 31 lid 4 Rv geen voorziening openstaat, tot de vraag of sprake is van een doorbrekingsgrond.
Tussen twee eigenaren van een gebouw met vier wooneenheden zijn geschillen ontstaan over het gebruik van het terrein rond het gebouw dat is bestemd tot gemeenschappelijk nut. In één van die geschillen heeft een eigenaar onder meer, naast negen andere vorderingen, gevorderd dat zijn buurman deze zaak alleen conform het in de leveringsakte bepaalde zou gebruiken, op straffe van een dwangsom. De buurman stelde in die procedure reconventionele vorderingen in. In een tussenvonnis heeft de rechtbank beslist dat de op het gebruik van de mandelige zaak gerichte vordering van de eigenaar kan worden toegewezen versterkt met een dwangsom. Verder kreeg de eigenaar in dat tussenvonnis de gelegenheid te reageren op de eisvermeerdering van de buurman in reconventie. In het eindvonnis van 15 juli 2020 heeft de rechtbank echter (tezamen met andere vorderingen) de op het gebruik gerichte vordering afgewezen. Van dat vonnis is geen hoger beroep ingesteld.
Vervolgens heeft de eigenaar bijna 2 jaar later verbetering gevraagd van het eindvonnis. Bij vonnis van 1 juni 2022 heeft de rechtbank dit verzoek tot herstel toegewezen.
Het hof heeft echter beslist dat zich een doorbrekingsgrond voordoet (tegen de beslissing op de voet van art. 31 Rv staat op grond van art. 31 lid 4 Rv geen voorziening open) omdat de rechtbank buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv is getreden. Volgens het hof was voor partijen niet evident duidelijk of de rechtbank de op het gebruik gerichte vordering had willen toewijzen of heeft willen terugkomen op de bindende eindbeslissing, maar heeft verzuimd dat te motiveren. Er is dus volgens het hof geen sprake van een kennelijke fout. Bovendien had de eigenaar volgens het hof pas ongeveer twee jaar na het eindvonnis om verbetering gevraagd, terwijl de eigenaar zich in de contacten met de buurman in die periode (er had nog uitvoerig overleg plaatsgevonden tussen de advocaten van partijen) niet op het standpunt had gesteld dat het vonnis moest worden verbeterd. Daarom rees volgens het hof de vraag welk belang de eigenaar nu nog had bij toewijzing van de vordering, temeer nu hij dit kennelijk jarenlang niet heeft gehad. Onder die omstandigheden hoefde de buurman volgens het hof met een verzoek om verbetering redelijkerwijs geen rekening meer te houden en is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om alsnog om verbetering van het vonnis te vragen.
De eigenaar stelt cassatie in. De Hoge Raad gaat eerst in op de vraag wanneer sprake is van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent in de zin van art. 31 Rv. Dat is volgens de Hoge Raad het geval indien voor partijen en derden kenbaar is waarin de fout is gelegen. De fout moet niet voor redelijke twijfel vatbaar zijn, en voor partijen en derden op het eerste gezicht duidelijk. In de wetsgeschiedenis wordt in dit verband volgens de Hoge Raad onder meer als voorbeeld genoemd het geval dat alle verweren van gedaagde tegen een vordering onjuist zijn bevonden en niettemin in het dictum de vordering wordt afgewezen in plaats van toegewezen. Anders dan het hof nog voor mogelijk had gehouden, bestaat er volgens de Hoge Raad geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de rechtbank heeft bedoeld terug te komen van haar bindende eindbeslissing maar verzuimd heeft dit in het eindvonnis te motiveren. Het hof heeft dus ten onrechte aangenomen dat de rechtbank buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv is getreden.
De Hoge Raad gaat verder in op de klacht dat als sprake is van een kennelijke fout, het hof daarover niet meer (inhoudelijk) kan oordelen en dus ook niet kan beslissen dat verbetering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Die klacht is volgens de Hoge Raad ook gegrond. Omdat geen voorziening openstaat van een beslissing op de voet van art. 31 Rv, moet, om toch te kunnen worden ontvangen in het hoger beroep, een doorbrekingsgrond worden aangevoerd. Als de rechter in hoger beroep tot de conclusie komt dat het beroep op de aangevoerde doorbrekingsgrond faalt, leidt dit tot verwerping van het beroep. De beoordeling in hoger beroep is dan volgens de Hoge Raad beperkt tot de beoordeling van de (voor)vraag of een doorbrekingsgrond zich voordoet.