HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1865

De Hoge Raad beslist in deze zaak, die nog is afgehandeld onder de oude Wet op de inrichting van het landelijk gebied (Wilg), dat de peildatum is het moment van terinzagelegging van het ontwerpruilplan. Dat wordt niet anders als daarna nog een waardestijging plaatsvindt. De ratio van dit peilmoment is volgens de Hoge Raad dat een rechthebbende aan wie andere grond wordt toebedeeld dan hij heeft ingebracht moet kunnen weten welke gevolgen het ontwerpruilplan voor hem heeft, ook in financieel opzicht.

In deze zaak waren de percelen van een agrarische maatschap in een ruilverkaveling betrokken. In dat verband wordt voor de financiële afwikkeling van de landinrichting een lijst der geldelijke regelingen vastgesteld, waarin aan de eigenaren financiële vergoedingen worden toegekend, onder meer in verschillen in de agrarische waarde tussen de inbreng en de toedeling. In de lijst der geldelijke regelingen kan echter ook een andere dan de agrarische waarde worden meegenomen.

In dit geval betoogde de maatschap dat de gronden in een zoekgebied voor een toekomstig industrieterrein van de gemeente, waarin de gronden waren gelegen, waren meegenomen. Daarom was de waarde volgens de maatschap hoger dan de agrarische waarde. Volgens de maatschap had dus een hogere waarde in de lijst der geldelijke regelingen moeten worden opgenomen.

De vaststelling van het zoekgebied door de gemeente had echter plaatsgevonden na de in art. 27 lid 3 Besluit inrichting landelijk gebied (Bilg) opgenomen peildatum voor de berekening van de waarde van de gronden. Die peildatum is het moment van terinzagelegging van het ontwerpruilplan. In dat verband is van belang dat de ruilverkaveling in dit geval relatief lang heeft geduurd waardoor de lijst der geldelijke regeling pas werd vastgesteld nadat die gestelde waardestijging zich had voorgedaan.

De rechtbank heeft beslist echter dat vanwege art. 27 lid 3 Bilg die mogelijke waardestijging niet in de lijst der geldelijke regelingen had hoeven worden opgenomen. De maatschap stelt cassatie in. In landinrichtingszaken staat namelijk geen hoger beroep open, maar alleen cassatie.

De Hoge Raad laat de beslissing van de rechtbank in stand. Volgens de Hoge Raad is de ratio van dit peilmoment dat een rechthebbende aan wie andere grond wordt toebedeeld dan hij heeft ingebracht moet kunnen weten welke gevolgen het ontwerpruilplan voor hem heeft, ook in financieel opzicht. Dat is relevant voor de beslissing al dan niet bezwaar te maken. Een later peilmoment kan volgens de Hoge Raad tot het onwenselijke gevolg leiden dat als de rechthebbende heeft ingestemd met de toedeling en zich vervolgens in de periode tussen de vaststelling van het ruilplan en de vaststelling van de lijst der geldelijke regelingen een waardevermeerdering van de toegedeelde gronden voordoet, hij met die meerwaarde wordt belast. Onder bijzondere omstandigheden kan het buiten beschouwing laten van die waardevermeerdering overigens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Dat had de rechtbank echter niet miskend.

De overige klachten verwerpt de Hoge Raad met toepassing van art. 81 RO.

Share This

Cassatieblog.nl