

Nabestaanden Mitch Henriquez kunnen niet langs civiele weg namen agenten krijgen
HR 28 september 2018 ECLI:NL:HR:2018:1806
In dit arrest markeert de Hoge Raad de bevoegdheidsverdeling tussen de strafrechter en de civiele rechter: als een vordering of een verzoek uitsluitend strekt tot bescherming van de processuele belangen die een partij stelt te hebben bij de procesvoering bij de strafrechter, dan is die partij daarin niet-ontvankelijk bij de burgerlijke rechter. Lees meer…

Omvang van het geding na cassatie en verwijzing: samenloop vorderingen Luchtvaartwet
HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1972 (Chipshol III/Luchthaven Schiphol)
Het gaat in deze zaak om inmiddels vervallen schadevergoedingsbepalingen op grond van de Luchtvaartwet. In deze procedure worden zowel de schadevergoeding op grond van art. 50 LVW (oud) wegens waardevermindering door het opleggen van een bouwverbod, als de afdracht van waardevermindering door het vervolgens opheffen van dat bouwverbod, beoordeeld. De Hoge Raad overweegt dat deze procedures op grond van de LVW grote gelijkenis vertonen met het onteigeningsrecht, en tussentijds cassatieberoep tegen een tussenvonnis dan ook niet kan worden opengesteld. In deze zaak ging het ten aanzien van de ene vordering (de waardevermindering) om een procedure na cassatie en verwijzing, waarvoor het algemene uitgangspunt geldt dat de rechter op niet of tevergeefs bestreden beslissingen in beginsel niet mag terugkomen. Ten aanzien van de andere vordering (de waardevermeerdering) ging het om een zaak waarin nog geen einduitspraak was gedaan. Omdat de leer van de bindende eindbeslissing in deze procedures op grond van de LVW niet geldt, betekent dat dat de rechter nog wel op zijn eerdere (tussen)beslissingen mag terugkomen. Omdat de waardevermindering en waardevermeerdering in samenhang moeten worden beoordeeld, brengt dat een uitzondering op de gebondenheid na cassatie aan niet of tevergeefs bestreden beslissingen mee: wanneer omstandigheden worden meegewogen voor het oordeel over de waardevermeerdering, moeten deze ook worden betrokken in het oordeel over waardevermindering. Lees meer…

Wet Bopz: een kader voor Bopz-patiënten die verblijven in een inrichting voor forensische zorg
HR 9 november ECLI:NL:HR:2018:2087
In deze uitspraak geeft de Hoge Raad een uiteenzetting over de verhouding tussen huisregels, beperkingen en dwangbehandeling tegen de achtergrond van verblijf in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC). Lees meer…

Wet Bopz: nogmaals de positie van de arts verstandelijk gehandicapten
HR 2 november 2018 ECLI:NL:HR:2018:2044 en ECLI:NL:HR:2018:2046
De Hoge Raad heeft een tweetal uitspraken gedaan over de positie van de arts voor verstandelijk gehandicapten. Bij geconstateerde psychiatrische problematiek van een verstandelijk gehandicapte patiënt dient een psychiater het onderzoek over te nemen of bij het onderzoek betrokken te worden. Lees meer…

Uitzondering op Baijingsleer mogelijk voor na ontbindingsuitspraak bekend geworden feiten
HR 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1986
In een geval waarin de rechter een arbeidsovereenkomst heeft ontbonden onder het vóór 1 juli 2015 geldende recht wegens een aan de ex-werknemer verweten gedraging en na de ontbindingsprocedure op dit punt nieuwe informatie van wezenlijke betekenis is bekend geworden die de ontbindingsrechter op dit punt niet heeft kunnen meewegen, is het in lijn met het Baijingsarrest, dat in een afzonderlijk geding alsnog op basis van de nieuw bekend geworden feiten kan worden beoordeeld of de werknemer op grond van de eisen van goed werkgeverschap of die van de redelijkheid en billijkheid aanspraak heeft op een (aanvullende) vergoeding in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Lees meer…

Verhouding hoofdprocedure en schadestaatprocedure
HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1975
Uitgangspunt is dat de rechter in de hoofdprocedure de grondslag voor aansprakelijkheid vaststelt en dat de rechter in de schadestaatprocedure gebonden is aan dat oordeel. In onderhavige zaak laat het arrest van het hof in de hoofdprocedure geen andere uitleg toe dan dat de grondslag voor de door het hof aangenomen aansprakelijkheid van verweerster is gelegen in een rechtstreeks op art. 7:611 BW berustende verplichting van de werkgever om de werknemer diens schade als gevolg van een arbeidsgerelateerd verkeersongeval te vergoeden en dat het hof op die grondslag verweerster aansprakelijk acht voor de schade die eiser lijdt als gevolg van het hem overkomen verkeersongeval, en dus niet voor de schade die eiser lijdt als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering. Lees meer…

Exhibitie art. 843a Rv kan ook bij verzoekschrift worden verzocht
HR 26 oktober 2018 ECLI:NL:HR:2018:1985
Een exhibitievordering op grond van art. 843a Rv kan ook worden verzocht bij verzoekschrift.
In deze procedure gaat het om de vraag of het hof op goede gronden heeft geoordeeld dat het verzoek van verweerster in cassatie tot inzage op de voet van art. 843a Rv op de juiste wijze is ingediend, zij rechtmatig belang heeft bij haar verzoek en er geen weigeringsgronden zijn die aan inzage in de weg staan. Lees meer…

Geen verbod op boek ‘De gekooide recherche’
HR 26 oktober 2018 ECLI:NL:HR:2018:1987
De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof Den Haag om het boek ‘De gekooide recherche” niet te verbieden bevestigd. Lees meer…
![Hoge Raad komt niet terug van [B]/Dexia (cliëntenremisier)](https://cassatieblog.nl/wp-content/uploads/2016/01/Financiele-crisis1.jpg)
Hoge Raad komt niet terug van [B]/Dexia (cliëntenremisier)
HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935 ([X]/Dexia)
(1) De Hoge Raad ziet in de door het gerechtshof Amsterdam gegeven argumenten géén aanleiding om terug te komen van het arrest [B]/Dexia (cliëntenremisier). In gevallen als in dat arrest aan de orde staat niet voorop dat Dexia tekortschoot in haar zorgplicht jegens de afnemer, maar dat zij contracteerde in weerwil van een wettelijk verbod dat ertoe strekte de afnemer te beschermen tegen het aangaan van een beleggingsovereenkomst na advies door een adviseur zonder de benodigde vergunning; (2) De verbindendverklaring van een WCAM-overeenkomst kan geen grond opleveren voor een bepaalde rechtsuitleg. Lees meer…

Onderdelen van de Staat kunnen elkaars vorderingen niet opvoeren als steunvordering
HR 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1988 (Staat/V.)
Onder schuldeiser valt in de Faillissementswet te verstaan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon. Vorderingen van organen en onderdelen van de Staat die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, zoals de ontvanger en de belastingdienst, hebben voor de toepassing van de Faillissementswet te gelden als vorderingen van een en dezelfde schuldeiser, de Staat. Er is geen grond om hierop een uitzondering te maken voor organen of onderdelen van de Staat die organisatorisch, budgettair of begrotingstechnisch in vergaande mate zelfstandig zijn. Lees meer…