

Wanneer kan een melding van betalingsonmacht (art. 23 Wet Bpf 2000) achterwege blijven?
HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1976
Het strookt met de strekking van de melding van betalingsonmacht als bedoeld in art. 23 Wet Bpf 2000 om aan te nemen dat een zodanige melding achterwege kan blijven als het bedrijfstakpensioenfonds tijdig op andere wijze op de hoogte is geraakt van de betalingsonmacht van de rechtspersoon en van de omstandigheden die daartoe hebben geleid, en deze wetenschap dusdanig is dat het bedrijfstakpensioenfonds op basis daarvan in staat is zich een redelijk oordeel te vormen over de oorzaken van de betalingsonmacht en zich te beraden op de opstelling die het ten aanzien van de rechtspersoon zal innemen. Lees meer…

Cassatievlog #001 | Openstelling tussentijds beroep tegen een tussenvonnis
HR 17 december 2021 (X / Borger-Odoorn), ECLI:NL:HR:2021:1924
Sikke Kingma vertelt over een kleine maar praktische koerswijziging in de rechtspraak van de Hoge Raad over het openstellen van tussentijds hoger beroep of cassatieberoep tegen een tussenuitspraak. De Hoge Raad kiest voor een uniforme manier van het alsnog openstellen van tussentijds beroep, die altijd een volledige appeltermijn garandeert. Het arrest is ook hier op dit blog besproken.
Cassatievlog #001 is ook als podcast beschikbaar.

Levert het missen van huurgenot ook schade op?
HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1978
Dat verhuurders gedurende een periode toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichting om het huurgenot te verschaffen, brengt niet zonder meer mee dat de door huurder gevorderde schadevergoeding toewijsbaar is. Daarvoor is ook vereist dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat huurder door die tekortkoming schade heeft geleden. In het oordeel van het hof ligt besloten dat huurder onvoldoende heeft toegelicht dat de mogelijkheid om het gehuurde in de betreffende periode te gebruiken voor haar nog waarde had. Lees meer…

Kantonrechter onbevoegd om maatregelen te treffen jegens werknemer van bewindvoerder
HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1921
De wet biedt de kantonrechter niet de bevoegdheid om maatregelen te treffen jegens de werknemer van de bewindvoerder of tegen een door de bewindvoerder ingeschakelde derde indien die werknemer of derde niet naar behoren functioneert. Lees meer…

Olieleveranties in Afghanistan en immuniteit van jurisdictie
HR 24 december 2021 ECLI:NL:HR:2021:1956
Onder omstandigheden kan het gerechtvaardigd zijn dat ook een niet in Nederland gevestigde internationale organisatie ten overstaan van de Nederlandse rechter een beroep kan doen op immuniteit van jurisdictie. Dit is onder meer het geval indien die organisatie is gelieerd aan een in Nederland gevestigde internationale organisatie en toekenning van immuniteit aan eerstgenoemde organisatie noodzakelijk is om te voorkomen dat de naar ongeschreven volkenrecht bestaande immuniteit van de in Nederland gevestigde organisatie op ontoelaatbare wijze wordt doorkruist. Lees meer…

Ondanks gewekt vertrouwen, geen gehoudenheid conform dit vertrouwen te handelen
HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1957
De Hoge Raad heeft beslist dat de overheid een toezegging in beginsel moet honoreren, maar dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn de overheid daaraan te houden. Lees meer…

Toelating van niet eerder verschenen belanghebbende in verzoekschriftprocedure
HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1967
De Hoge Raad heeft beslist dat een niet eerder verschenen belanghebbende in cassatie als belanghebbende kan worden toegelaten, indien hij buiten zijn schuld in eerdere instanties niet is verschenen, en dan zelfs nog van zijn kant incidentele cassatiemiddelen kan aanvoeren. Lees meer…

Levering van drinkwater, na beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie
HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1889 (Waternet/verweerder)
Op 13 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1972, besproken in CB 2020-9) stelde de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over de kwestie of – zowel in het kader van het op art. 9 Richtlijn koop op afstand gebaseerde art. 7:7 lid 2 (oud) BW, als in het kader van het op art. 27 Richtlijn consumentenrechten gebaseerde huidige art. 7:7 lid 2 BW – sprake is (i) van levering van drinkwater op grond van een overeenkomst, dan wel (ii) van een ongevraagde levering van drinkwater zoals verboden door art. 5 lid 5 en punt 29 van bijlage I van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken. In zijn arrest van 3 februari 2021 heeft het HvJEU die vragen beantwoord. De Hoge Raad heeft partijen vervolgens in de gelegenheid gesteld om hun standpunten toe te lichten naar aanleiding van het prejudiciële arrest, waarna advocaat-generaal Drijber zijn conclusie heeft genomen. In het hier te bespreken arrest beoordeelt de Hoge Raad de zaak in het licht van de antwoorden van het HvJEU op de prejudiciële vragen. Lees meer…

Wet zorg en dwang (Wzd): zo nodig procedure voor aanwijzen wettelijk vertegenwoordiger – maar geen voorwaarde voor machtiging
HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1892
Het bepaalde in art. 28a lid 2, aanhef en onder c, Wzd vormt geen voorwaarde voor het kunnen verlenen van een machtiging. De waarborg dat bij de behandeling van het verzoek tot het verlenen van een machtiging de belangen van betrokkene worden behartigd, is gelegen in art. 38 lid 3 Wzd, ingevolge welke bepaling de rechter een last tot toevoeging van een advocaat aan de betrokkene geeft. Lees meer…

Openstelling tussentijds beroep voortaan altijd bij vonnis, met nieuwe termijn
HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924 (X/Gemeente Borger-Odoorn)
De rechter kan na een tussenvonnis te allen tijde, zolang geen eindvonnis is gewezen, op verzoek van een partij of ambtshalve – en na partijen te hebben gehoord – alsnog bepalen dat van het tussenvonnis tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld. Bij de beoordeling dient te worden betrokken of het openstellen van hoger beroep leidt tot onredelijke vertraging van de procedure. Het openstellen van tussentijds hoger beroep geschiedt bij vonnis. Het hoger beroep dient te worden ingesteld voordat de appeltermijn is verstreken, te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis waarbij tussentijds hoger beroep is opengesteld.