

Stuitende werking mediation in grensoverschrijdende zaken en oproeping van partijen bij ondeelbare rechtsvorderingen
HR 19 februari 2021 ECLI:NL:HR:2021:274
De aanvang van de mediation in een grensoverschrijdend geschil kan op één lijn worden gesteld met de stuitingshandelingen genoemd in art. 3:316 BW. De verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling kan dan ook op de voet van art. 3:317 lid 2 BW worden gestuit door binnen zes maanden na een schriftelijke aanmaning de mediation aan te vangen.
Een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling moet worden ingesteld tegen alle partijen bij de rechtshandeling. De rechter die vaststelt dat dit niet is gebeurd, dient gelegenheid te geven om de niet opgeroepen partij alsnog in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv. Een dergelijke oproeping is ook nog mogelijk in het hoger beroep, de cassatie of de procedure na verwijzing en cassatie. Lees meer…

Wvggz: verzoek wijziging zorgmachtiging zonder al verleende tijdelijk verplichte zorg
HR 19 februari 2021 ECLI:NL:HR:2021:272
Een verzoek tot wijziging van een machtiging op de voet van art. 8:12 lid 3 Wvggz kan ook worden ingediend in het geval dat nog geen tijdelijke verplichte zorg op de voet van art. 8:11 Wvggz is of wordt verleend maar te voorzien is dat een bepaalde vorm van zorg zal moeten worden verleend om een dreigende noodsituatie te voorkomen en de machtiging niet in die zorg voorziet. Lees meer…

Is het verzoekschrift tot toekenning van transitievergoeding tijdig ingediend?
HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:188
(i) De termijn waarbinnen het verzoekschrift tot toekenning van een transitievergoeding moet worden ingediend, begint op de eerste dag na de laatste werkdag en loopt af aan het einde van de met die laatste werkdag overeenstemmende dag drie maanden later.
(ii) Voor toepassing van art. 7:673b lid 1 (oud) BW is niet vereist dat een (aan de transitievergoeding gelijkwaardige) voorziening is getroffen voor het geval de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd, noch dat deze pas na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt verstrekt of haar werking heeft. Voorts is de wijze waarop de werkgever de voorziening financiert, niet van belang. Lees meer…

Wzd: geldigheidsduur machtiging bij te laat ingediend verzoek
HR 12 februari 2021 ECLI:NL:HR:2021:227
Opvolgende machtiging ook indien het verzoek is ingediend na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige machtiging; termijnoverschrijding in mindering op geldigheidsduur. Lees meer…

Wzd: ambtshalve door de rechtbank te constateren verbondenheid aan zorgaanbieder
HR 12 februari 2021 ECLI:NL:HR:2021:226
Als niet is voldaan aan het voorheen in de wet gestelde vereiste dat een medische verklaring niet mag worden verstrekt door een arts die is verbonden aan de zorgaanbieder van de accommodatie waarin de betrokkene al verblijft, dient de rechtbank dit ambtshalve te constateren. Lees meer…

Oproeping van partij(en) bij beoordeling rechtsvordering tot vernietiging rechtshandeling
HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:177
De rechter die vaststelt dat niet alle partijen bij de te vernietigen rechtshandeling in het geding zijn betrokken, moet gelegenheid geven om de niet opgeroepen partij alsnog in het geding te doen oproepen. Lees meer…

De kennisgeving van niet-nakoming aan de verzekeringnemer
HR 5 februari 2021 ECLI:NL:HR:2021:178
Indien de verzekeraar niet tijdig heeft voldaan aan de kennisgevingsplicht, kan hij zich op grond van art. 7:929 lid 1 BW niet meer op zijn rechten ter zake van de niet-nakoming van de mededelingsplicht beroepen. Dit gevolg treedt in ongeacht of de verzekeringnemer daadwerkelijk nadeel ondervindt van het niet tijdig voldoen aan de kennisgevingsplicht. Lees meer…

Exoneratiebeding: naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar?
HR 29 januari 2021 ECLI:NL:HR:2021:153
De rechter die beoordeelt of een tussen partijen overeengekomen exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet daarbij alle omstandigheden van het geval betrekken en bovendien terughoudendheid betrachten. Dat het exoneratiebeding wordt ingeroepen ten aanzien van een tekortkoming die de kern van de overeenkomst betreft, en dat zolang die tekortkoming voortduurt de betekenis aan de overeenkomst komt te ontvallen, is dan ook niet zonder meer voldoende voor het oordeel dat een beroep op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Lees meer…

De (reikwijdte van de) zorgplicht van een accountant jegens een derde
HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:149
(i) De vraag of een accountant bij de uitoefening van een niet-wettelijke taak jegens een derde heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot betaamt, dient te worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval.
(ii) Indien de accountant, gezien het belang dat een derde aan zijn rapportage zal hechten, ermee rekening moet houden dat die derde zijn gedrag mede door de inhoud van die rapportage laat bepalen, kan het nalaten maatregelen te treffen om te voorkomen dat die derde aan die rapportage ten onrechte of onjuiste betekenis toekent, in strijd zijn met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Lees meer…

Wat is een ‘gewaarmerkt afschrift van het vonnis’ in de zin van het VOGP?
HR 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:106 (X/Staat)
(1) Bij een verzoek tot tenuitvoerlegging van een in het buitenland opgelegde vrijheidsstraf, moet op grond van het VOGP onder andere een gewaarmerkt afschrift van het vonnis worden overgelegd. Het moet dan gaan om een gewaarmerkt afschrift van een document waaruit de inhoud blijkt van de rechterlijke beslissing waarbij de veroordeling is uitgesproken. Dit document moet – conform de eisen van het nationale recht van de staat van veroordeling – zijn opgemaakt om tot bewijs van de veroordeling te kunnen dienen. Het in dit geval door het Engelse Crown Court afgegeven Certificate of Conviction, voldeed daaraan.
(2) Op grond van het Aanvullend Protocol bij het VOGP is voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf geen instemming van de veroordeelde nodig, als hij zich aan tenuitvoerlegging van de veroordeling heeft onttrokken door het land waar hij is veroordeeld te ontvluchten. De Hoge Raad beslist dat het daarbij niet uitmaakt of de veroordeelde pas na of al tijdens het strafproces dat land is ontvlucht.