Selecteer een pagina

HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR5151 (X./Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant)

Een ouder die opkomt tegen een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarig kind (art. 1:261 lid 1 BW) behoudt een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid daarvan te laten toetsen. Een machtiging tot uithuisplaatsing bij de met het gezag belaste ouder bij wie de minderjarige niet zijn hoofdverblijf heeft, is niet in strijd met het recht.

Uit het huwelijk tussen X. (hierna: de moeder) en haar echtgenoot is een kind geboren. Na de echtscheiding behielden de ouders het gezamenlijk ouderlijk gezag. Hoofdverblijf van het kind was bij de moeder. In verband met psychische problemen van de moeder werd het kind onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (BJZ); tevens werd een machtiging tot uithuisplaatsing (UHP) afgegeven. Deze was aanvankelijk bij pleeggezinnen. Later heeft BJZ verzocht om een nieuwe machtiging UHP voor plaatsing bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling (OTS). Rechtbank en hof hebben beide het verzoek van BJZ toewijsbaar geacht. De moeder stelde op 21 oktober 2010 cassatieberoep in tegen de “verlenging” van de UHP vanaf 5 februari 2010 tot 5 februari 2011. Op het moment dat de Hoge Raad op 14 oktober 2011 uitspraak deed was de geldigheidsduur van de maatregel echter al verstreken.

De beschikking van de Hoge Raad kent twee aspecten die het vermelden waard zijn: (1) het oordeel over de vraag of een UHP bij een met gezag belaste ouder mogelijk is en (2) voortzetting van de lijn dat de Hoge Raad terugkomt van zijn ‘geen-belang’-rechtspraak. Het laatste is verreweg het belangrijkste, maar het eerste verdient ook enige aandacht en komt hierna als eerste aan bod.

Plaatsing bij een ouder is in sommige gevallen de aangewezen oplossing. A-G Huydecoper wijst daar ook op. Een wetsuitleg die dat onmogelijk zou maken levert volgens de A-G een zo “krom” resultaat op, dat deze zichzelf veroordeelt. Die redenering overtuigt. De Hoge Raad overweegt dan ook dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat UHP een plaatsing betreft bij de met het gezag belaste ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijf niet heeft en verbindt.

Dat de Hoge Raad toekwam aan een inhoudelijke beoordeling is interessant. Tot voor kort hield de Hoge Raad immers onverkort vast aan zijn “geen-belang” rechtspraak. Deze rechtspraak is gegrond op art. 3:303 BW: een rechtsmiddel komt niet toe aan hem die daarbij rechtens onvoldoende belang heeft. Eén van de categorieën waarin art. 3:303 BW in het verleden vrijwel steeds een struikelblok vormde om een inhoudelijke beoordeling door de Hoge Raad te verkrijgen waren beslissingen van tijdelijke aard. Zo was volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad een cassatieberoep ten aanzien van een machtiging UHP of OTS waarvan de termijn al is verstreken op het moment van de uitspraak niet-ontvankelijk. De gedachte daarachter is dat cassatie geen nuttig effect meer teweeg kan brengen.

Dit bracht logischerwijs ook mee dat de peildatum waarnaar de ontvankelijkheid moest worden bepaald, het moment van de uitspraak was en dus niet het moment van indiening van het verzoekschrift. De omstandigheid dat na de bestreden beschikking opnieuw een verlenging had plaatsgevonden, zodat de situatie van machtiging UHP en/of OTS ten tijde van de uitspraak van de Hoge Raad feitelijk nog wel bestond, leidde niet tot een andere benadering. Geredeneerd werd dat het de oude beschikking was, en niet de nieuwe tot verlenging, die in cassatie werd bestreden. Wel is de Hoge Raad in het verleden meer dan eens genegen geweest om, als er belangrijke kwesties aan de orde werden gesteld, daaraan een overweging ten overvloede (obiter dictum) te wijden.

Dat deze rechtspraak tot frustraties leidde zal duidelijk zijn. Dat gold te meer als men alles op alles had gezet om zeer tijdig cassatieberoep in te stellen, maar als gevolg van de doorlooptijd bij de Hoge Raad eerst uitspraak werd gedaan ná het verstrijken van de geldigheidsduur van de maatregel. Ook de zienswijze van de Hoge Raad dat het niet uitmaakt of opnieuw een verlenging had plaats gevonden, werd vaak als problematisch ervaren.

De Hoge Raad heeft zijn koers inmiddels gewijzigd, of misschien beter: bijgesteld. Want vooralsnog lijkt het erop dat de versoepeling (slechts?) aan de orde is wanneer sprake zou kunnen zijn van een schending van of inbreuk op een fundamenteel (mensen)recht. De eerste tekenen van een koersverlegging dienden zich aldus bezien aan met HR 19 maart 2010, LJN ECLI:NL:HR:2010:BK8146 (Chipshol/Staat). Daarin werd een voldoende belang  aangenomen bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor met verwijzing naar het door art. 6 EVRM gegarandeerde fundamentele recht op een eerlijk proces. De mogelijkheid dat dit recht eventueel geschonden zou zijn, was volgens de Hoge Raad voldoende om een dergelijk belang aan te nemen.

Op 7 juni 2011 volgde het arrest van het EHRM in de zaak S.T.S. tegen Nederland (EHRC 2011/130, m.nt. J.H. Crijns). Geklaagd wordt over schending van art. 5 lid 4 EVRM. Ook hier had de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang nu de machtiging tot gesloten uithuisplaatsing inmiddels was verlopen (ECLI:NL:HR:2004:AR4322). Het EHRM kwam tot een dubbele schending van art. 5 lid 4 EVRM. Het tijdsverloop (294 dagen) in de cassatiefase achtte het buitensporig. Verder had de Hoge Raad toen de machtiging was verlopen, het cassatieberoep niet wegens onvoldoende belang niet-ontvankelijk mogen verklaren. Ook toen bestond er volgens het EHRM nog zonder meer een rechtens te respecteren belang om een oordeel van de Hoge Raad te krijgen omtrent de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming. Dat de (verlengde) maatregel in de tussenliggende periode meerdere keren door de kinderechter was getoetst acht het EHRM niet belissend.

Deze harde krtitiek moest wel leiden tot een koerswijziging. Die kwam enkele weken later in de vorm van HR 24 juni 2011, ECLI:ML:HR:2011:BQ2292. Het betrof daar eveneens een UHP in een gesloten instelling. De Hoge Raad overwoog dat het arrest van het EHRM hem aanleiding gaf om van zijn ‘geen-belang’ rechtspraak terug te komen. De motivering is toegesneden op het arrest en op art. 5 lid 4 EVRM. Daarmee rees de vraag of de Hoge Raad deze lijn zou doortrekken naar maatregelen van een minder verstrekkende aard, zoals bijvoorbeeld een UHP in een pleeggezin of een open instelling (zie daarover Wortmann in haar annotatie van de beschikking in NJ 2011, 390). Die vraag kan thans bevestigend worden beantwoord. De Hoge Raad:

“De periode waarvoor de op grond van art. 1:261 lid 1 BW aan Jeugdzorg verleende machtiging is gegeven, is inmiddels verstreken. Naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM in de zaak S.T.S. tegen Nederland van 7 juni 2011, no. 277/05, is de Hoge Raad bij beschikking van 24 juni 2011, LJN BQ2292, teruggekomen van zijn ‘geen-belang’-rechtspraak, in zoverre dat aan degene die een rechtsmiddel instelt tegen een tijdelijke maatregel als gevolg waarvan hem zijn vrijheid is ontnomen, zijn procesbelang niet behoort te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor die maatregel gold, inmiddels is verstreken (rov. 3.7 van genoemde beschikking). In het verlengde van deze beschikking wordt ook in gevallen als het onderhavige, waarin een ouder opkomt tegen een uithuisplaatsing van een minderjarig kind, aangenomen dat deze ouder, gelet op het door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn of haar gezinsleven, een rechtens relevant belang erbij heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen, en behoort aan deze ouder mitsdien niet zijn of haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken.”

Met deze beschikking zijn nog niet alle vragen beantwoord. Zo rijst de vraag of hetzelfde geldt voor een OTS. Daarnaast dringt zich de vraag op of nu ook de Bureaus Jeugdzorg aanspraak kunnen maken op een inhoudelijke beoordeling van een door hen ingesteld rechtsmiddel. In het laatste geval gaat het immers niet om enig door het EVRM gewaarborgd recht van de Bureaus zelf, maar om de rechterlijke beslissing waarin die maatregel (c.q. de verlenging daarvan) wordt geweigerd of beëindigd.

De Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant is in cassatie bijgestaan door de auteur.

Share This