HR 27 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:1008
Inzet van deze zaak is of aanbieders van Buy Now, Pay Later-diensten (BNPL-diensten) vallen onder de reikwijdte van de Richtlijn Consumentenkrediet. Over deze vraag heeft de rechtbank Gelderland prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de door de rechtbank gestelde vragen deels zelf beantwoord, voor het overige heeft hij prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU. Na beantwoording van die vragen, beantwoordt de Hoge Raad in de hier besproken zaak de resterende vragen van de kantonrechter.
De Hoge Raad legt uit hoe door de rechter bepaald moet worden of een BNPL-dienst valt onder de regels voor het consumentenkrediet. Daarnaast beantwoordt de Hoge Raad vragen over het vereiste van ‘geruime tijd’ uit art. 7:60 lid 1 BW en over de mate waarin de rechter ambtshalve moet toetsen of de kredietgever voldaan heeft aan de op hem rustende plicht een kredietwaardigheidstoets uit te voeren.
Achtergrond
Achteraf-betaaldiensten (ook wel geheten BNPL-diensten) maken het voor consumenten mogelijk om bij de aankoop van een product niet meteen te betalen, maar pas enige tijd later. In deze procedure staat de vraag centraal of aanbieders van deze BNPL-diensten vallen onder de werkingssfeer van de Richtlijn consumentenkrediet (geïmplementeerd in Titel 7.2A BW). Wanneer vastgesteld is dat de overeenkomsten tussen de aanbieder en de consument vallen onder deze werkingssfeer, heeft dit tot gevolg dat de consumentenbeschermende bepalingen van Titel 7.2A BW in werking treden.
De rechtbank Gelderland heeft in een procedure tussen een aanbieder van een BNPL-dienst en een consument aan de Hoge Raad twintig prejudiciële vragen gesteld over de betekenis van de Richtlijn consumentenkrediet (geïmplementeerd in Titel 7.2A BW). De Hoge Raad heeft enkele van deze vragen in een eerder arrest zelf beantwoord (waarover CB 2023-82). Hij heeft daarnaast de volgende prejudiciële vragen aan het HvJEU voorgelegd:
“Behoren vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten tot de totale kosten van het krediet voor de consument in de zin van art. 3, onder g, Richtlijn consumentenkrediet en moeten zij in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of sprake is van een kredietovereenkomst ‘zonder rente en andere kosten’ of ‘waarbij slechts onbetekenende kosten worden aangerekend’ in de zin van art. 2 lid 2, onder f, Richtlijn consumentenkrediet?
Maakt het voor het antwoord op vraag 1 verschil of de vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn op grond van de wet of zijn bedongen? Maakt het – indien sprake is van bedongen vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten – verschil of deze rente en kosten hoger zijn dan hetgeen zonder het beding op grond van de wet verschuldigd zou zijn?”
Het HvJEU heeft het tweede onderdeel van de eerste vraag en de tweede vraag samen als volgt beantwoord:
“Artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad moet aldus worden uitgelegd dat, behoudens gevallen waarin de kredietgever, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, er vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst al op anticipeert dat de consument de betalingsverplichting niet zal nakomen, de vertragingsrente en de buitengerechtelijke incassokosten die een consument verschuldigd is ingeval hij zijn betalingsverplichting op grond van een kredietovereenkomst niet of niet tijdig nakomt, niet onder de begrippen „rente” en „andere kosten” in de zin van deze bepaling vallen, in beginsel ongeacht of deze rente en andere kosten van wettelijke dan wel contractuele aard zijn en ongeacht of die rente en andere kosten, zo zij van contractuele aard zijn, hoger zijn dan hetgeen wettelijk verschuldigd zou zijn.”
Het HvJEU heeft overwogen dat, gelet op dit antwoord, het eerste deel van de eerste vraag – of vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten behoren tot de totale kosten van het krediet van de consument in de zin van art. 3, onder g, Richtlijn consumentenkrediet – niet hoeft te worden beantwoord.
In deze procedure beantwoordt de Hoge Raad, mede aan de hand van de antwoorden van het HvJEU, de vragen van de rechtbank Gelderland die hij nog niet beantwoord had.
Wettelijke rente en incassokosten
De kernvraag in deze prejudiciële procedure is of vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of sprake is van een kredietovereenkomst zonder kosten of waarbij slechts onbetekenende kosten worden aangerekend als bedoeld in art. 2 lid 2, aanhef en onder f, Richtlijn consumentenkrediet (dat is geïmplementeerd in art. 7:58 lid 2, aanhef en onder e, BW). Het antwoord op die vraag bepaalt namelijk of de kredietovereenkomst valt binnen de werkingssfeer van de Richtlijn consumentenkrediet. Is dat het geval, dan is titel 7.2A BW op de kredietovereenkomst van toepassing.
Het antwoord van de Hoge Raad is weinig verrassend gezien de antwoorden van het HvJEU op door de Hoge Raad gestelde vragen. Volgens de Hoge Raad mogen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een krediet zonder kosten of een krediet met onbetekenende kosten in de zin van art. 7:58 lid 2, onder e, BW vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten niet in aanmerking worden genomen. Het maakt volgens de Hoge Raad niet uit of deze kosten op grond van de wet of op grond van een overeenkomst verschuldigd zijn, ongeacht of deze – als het gaat om bedongen rente en kosten – hoger zijn dan hetgeen zonder het beding op grond van de wet verschuldigd zou zijn.
Volgens de Hoge Raad moeten vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten echter wel in aanmerking worden genomen indien de kredietgever, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, er vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst al op anticipeert dat de consument zijn betalingsverplichting niet zal nakomen. Of van zo’n situatie sprake is, moet volgens de Hoge Raad door de rechter onderzocht worden aan de hand van alle omstandigheden rond de sluiting van de kredietovereenkomst en andere relevante factoren, zoals met name de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waarbinnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten.
Het vereiste van ‘geruime tijd’ in art. 7:60 BW
Wanneer is vastgesteld dat sprake is van een krediet dat valt onder de werkingssfeer van Titel 7.2A BW, geldt dat de kredietgever op grond van art. 7:60 lid 1 BW (dat een implementatie is van art. 5 en art. 6 Richtlijn consumentenkrediet) verplicht is de in de artikelen 5 en 6 van de Richtlijn consumentenkrediet genoemde precontractuele informatie ‘geruime tijd’ voor het sluiten van de overeenkomst te verstrekken aan de consument.
Door de rechtbank is de vraag aan de orde gesteld hoe de woorden ‘geruime tijd’ uitgelegd van art. 7:60 lid 1 BW uitgelegd moeten worden. Volgens de Hoge Raad moet de beoordeling of de kredietgever aan de in art. 7:60 lid 1 BW genoemde informatieplicht heeft voldaan, plaatsvinden in het licht van de omstandigheden van het geval. De enkele omstandigheid dat de consument die besluit een product te kopen waarbij de mogelijkheid bestaat dit met een krediet te financieren, geen gebruik maakt van de mogelijkheid om langer over de verstrekte precontractuele informatie over het krediet na te denken en vrijwel onmiddellijk de koopovereenkomst en de kredietovereenkomst aangaat, dwingt volgens de Hoge Raad niet tot het oordeel dat de precontractuele informatie niet ‘geruime tijd’ voordat de consument door de kredietovereenkomst is gebonden, is verstrekt.
Ambtshalve toetsing van de kredietwaardigheidstoets
Ten slotte overweegt de Hoge Raad dat de civiele rechter ambtshalve dient te toetsen of de (BPNL-)kredietgever heeft voldaan aan de uit art. 4:34 lid 1 Wft voorvloeiende plicht om – kort gezegd – de kredietwaardigheid van de kredietnemer te beoordelen. Deze plicht geldt volgens de Hoge Raad ook bij kredieten van minder dan € 1.000. Volgens de Hoge Raad hoeft de civiele rechter echter niet ambtshalve te toetsen of het de kredietgever op grond van art. 4:34 lid 2 Wft jo. art. 113 lid 1 Bgfo was toegestaan de kredietovereenkomst aan te gaan met de consument.