Selecteer een pagina

Alle berichten met de tag: erkenning


HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:685

De Hoge Raad ziet op dit moment af van beantwoording van prejudiciële vragen over de rechtsgevolgen van draagmoederschap in het buitenland, omdat hierover op korte termijn een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer zal worden ingediend. In de tussentijd kan de rechter in een concrete zaak een beslissing nemen aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan de rechter ook overeenkomstige toepassing geven aan art. 10:100 en 10:101 BW. (meer…)

HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1170

Een beslissing van het EHRM waarbij een verzoeker niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek op de grond dat niet is voldaan aan de eisen van de art. 34 en 35 EVRM, brengt niet mee dat de Nederlandse rechter die onderzoekt of een buitenlandse beslissing naar commuun internationaal privaatrecht in Nederland kan worden erkend, tot het oordeel dient te komen dat geen sprake is van strijd met de openbare orde.

(meer…)

HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3104 (Sonera/Çukurova)

Artikel 40 van het Statuut voor het Koninkrijk ziet niet op het verlof tot tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijke of arbitrale beslissing, dat door een rechter in een land van het Koninkrijk is verleend op de voet van een erkennings- en tenuitvoerleggingsverdrag. Dit geldt ongeacht of een zodanig verdrag tevens voor andere landen van het Koninkrijk in werking is getreden. Een zodanig verlof strekt zich slechts uit tot het desbetreffende land binnen het Koninkrijk, tenzij de wet van een ander land van het Koninkrijk anders bepaalt. (meer…)

Het overzicht van lopende zaken vermeldt weer een aantal nieuwe civiele zaken waarin op grond van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad zijn gesteld. (meer…)

Hoge Raad 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:817 (Gemeente Simpelveld / verweerder)

1) De invorderingsbeschikking als bedoeld in art. 5:37 Awb stuit niet de verjaring van bestuursrechtelijke geldschulden. De wetgever heeft met art. 4:105 en 4:106 Awb beoogd een gesloten stelsel van stuitingshandelingen te introduceren. 2) Door te erkennen dat opgelegde dwangsommen verbeurd zijn, is nog geen sprake van een ‘erkenning van het recht op betaling’ als bedoeld in art. 4:105 lid 2 Awb. Door de eerstgenoemde erkenning wordt de verjaring van de invordering van verjaarde dwangsommen dus niet gestuit. (meer…)

Cassatieblog.nl