Selecteer een pagina

HR 26 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1558 (Eiseressen/Aegon)

Een verzekeraar die premie heeft geïnd voor een risico dat achteraf bezien niet heeft bestaan, kan ingevolge art. 7:938 BW gehouden zijn tot premierestitutie. De enkele inning van premie noopt evenwel niet tot de conclusie dat de verzekeraar op grond van art. 6:248 lid 2 BW dekking moet verlenen voor schade als gevolg van niet-verzekerde activiteiten.

De eigenaar van een aardappelgroothandel heeft, na beëindiging van zijn onderneming in 2005, de leegstaande loodsen als opslagruimte verhuurd aan particulieren. De onderneming had een aansprakelijkheidsverzekering bij Aegon, waarvan de verzekerde hoedanigheid per 1 januari 2006 was gewijzigd in “eigenaar/exploitant van een uitzendbureau, tevens verhuur van onroerend goed”. In 2007 is in twee loodsen brand uitgebroken, resulterend in schade van derden (de huurders). Aegon heeft ter zake van deze schade dekking geweigerd, vanwege het feit dat de verzekerde hoedanigheid afweek van de feitelijke bedrijfsactiviteit. In dit verband heeft Aegon aangevoerd dat de hoedanigheid van “opslagbedrijf voor particulieren” meer risico met zich brengt en bijgevolg een hogere premie oplevert dan “verhuur van onroerend goed”.

In dit geding vordert eiseres tot cassatie sub 1, de verzekeringneemster, tezamen met haar (klein)dochtervennootschap eiseres tot cassatie sub 2, de verhuurster van de loodsen, een verklaring voor recht dat eiseres sub 2 aanspraak kan maken op dekking voor de geleden schade.

Het hof wees de vordering af, kort gezegd omdat volgens het hof niet was gebleken van een aan Aegon kenbare bedoeling van eiseres sub 1 om per 1 januari 2006 evenals voorheen ook de activiteiten van haar dochtermaatschappijen te verzekeren, maar nu op basis van verhuur van opslagruimte door of namens deze dochtermaatschappijen. Het hof oordeelde tegen deze achtergrond dat de verzekeringsovereenkomst niet aldus kon worden uitgelegd dat de activiteiten van eiseres sub 2 (en van haar moedermaatschappij [A] B.V. als eigenaresse van de loodsen) waren meeverzekerd. Voorts oordeelde het hof dat eiseressen onvoldoende hadden gesteld om te concluderen dat de dekkingsweigering van Aegon naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.

In cassatie klaagt eiseres dat ’s hofs oordeel in het licht van de volgende omstandigheden onvoldoende gemotiveerd is:

(i) de “groep” van eiseressen tot cassatie heeft vanaf 2001 premie betaald op basis van de omzet/loonsom van alle vennootschappen;

(ii) toen de dochtervennootschappen in 2009 alsnog op de polis werden bijgeschreven, bracht dat geen wijziging van de premie mee;

(iii) indien achteraf gezien alleen eiseres tot cassatie sub 1 verzekerd zou zijn geweest, heeft Aegon jarenlang premie betaald gekregen, zonder dat zij risico heeft gelopen.

Deze motiveringsklacht faalt. Geen van de genoemde omstandigheden wijst volgens de Hoge Raad erop dat Aegon bij de opgave van de wijziging van de verzekerde hoedanigheid per 1 januari 2006 heeft moeten begrijpen dat eiseressen ook de onderhavige opslagactiviteiten beoogden mee te verzekeren.

Met betrekking tot het door eiseres gedane beroep op de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid oordeelt de Hoge Raad als volgt:

“3.3.4 (…) Indien Aegon premie heeft geïnd voor een risico dat achteraf bezien niet heeft bestaan, kan dat meebrengen dat zij gehouden is tot premierestitutie (art. 7:938 BW). De enkele inning van premie noopt evenwel niet tot de conclusie dat Aegon op grond van art. 6:248 lid 2 BW dekking moet verlenen voor schade als gevolg van de onderhavige activiteiten.”

De Hoge Raad concentreert zich dus op de onder (iii) genoemde omstandigheid (premiebetaling voor een niet-bestaand risico), die hij op zichzelf beschouwd onvoldoende acht om te oordelen dat dekkingsweigering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. A-G Spier behandelde in zijn conclusie de onder (i) tot en met (iii) genoemde omstandigheden tezamen en achtte de betreffende motiveringsklacht wel gegrond: volgens hem was onder die omstandigheden “zonder nadere toelichting inderdaad onaanvaardbaar dat Aegon zich aan betaling onttrekt” (sub 4.9).

Per saldo bevestigt de door de Hoge Raad gekozen benadering de terughoudendheid die in het kader van art. 6:248 lid 2 BW doorgaans wordt betracht. Aegon trekt in casu aan het langste eind: het cassatieberoep wordt verworpen.

Share This