Selecteer een pagina

HR 13 maart 2026 ECLI:NL:HR:2026:410

Indien na het overleggen van een schriftelijke referteverklaring op het verzoek om een zorgmachtiging wordt beslist zonder dat tegen dit verzoek verweer is gevoerd en zonder dat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, kan slechts worden aangenomen dat de betrokkene niet bereid is zich op het verzoek te doen horen, indien het ontbreken van deze bereidheid ondubbelzinnig blijkt uit de referteverklaring.

De officier van justitie heeft verzocht een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden. De griffier van de rechtbank had aan de advocaat van betrokkene bericht dat, indien zijn cliënt er prijs op stelt dat zijn zaak zonder zitting wordt afgedaan, een referteverklaring ingediend kon worden bij de rechtbank. Uit de referteverklaring moest, kort weergegeven volgens de rechtbank, blijken dat betrokkene persoonlijk door de advocaat is geïnformeerd over de gevolgen van het afdoen van een zaak met referteverklaring.

De rechtbank heeft daarna van de advocaat een referteverklaring Wvggz ontvangen, ondertekend door de advocaat van betrokkene, maar niet ondertekend door betrokkene zelf. In deze referteverklaring staat dat betrokkene zonder zitting en zonder te worden gehoord kan instemmen met toewijzing van het verzoek tot een zorgmachtiging met een maximale duur van 12 maanden. Vervolgens heeft de rechtbank deze machtiging verleend.

Deze beschikking blijft niet in stand. De Hoge Raad wijst op art. 6:1 lid 1 Wvggz en overweegt dat afstand door betrokkene van het recht te worden gehoord op het verzoek om een zorgmachtiging, als zodanig niet onverenigbaar is met de Wvggz. De Hoge Raad voegt daaraan toe:

3.2.4  Opmerking verdient nog het volgende. Indien, zoals in dit geval, na het overleggen van een schriftelijke referteverklaring op het verzoek om een zorgmachtiging wordt beslist zonder dat tegen dit verzoek verweer is gevoerd en zonder dat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, kan, gelet op hetgeen hiervoor in [3.2.2] is overwogen, slechts worden aangenomen dat de betrokkene niet bereid is zich op het verzoek te doen horen, indien het ontbreken van deze bereidheid ondubbelzinnig blijkt uit de referteverklaring. Hiervoor is niet voldoende dat in de referteverklaring slechts is opgenomen dat de betrokkene zonder zitting en zonder te worden gehoord kan instemmen met toewijzing van het verzoek.

De Hoge Raad wijst er verder op dat uit de brief van de rechtbank aan de advocaat van betrokkene volgt dat de referteverklaring ondertekend dient te worden door betrokkene terwijl in deze zaak de referteverklaring alleen door de advocaat van betrokkene is ondertekend. De Hoge Raad oordeelt daarom dat het onbegrijpelijk is dat de rechtbank de referteverklaring toereikend heeft geacht om op het verzoek te beslissen zonder betrokkene te horen.

Volgt vernietiging en verwijzing.

Share This

Cassatieblog.nl