HR 6 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:348
Het hof heeft het betoog dat de toepassing van de algemene voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was (art. 6:248 lid 2 BW) niet voldoende gemotiveerd beoordeeld.
Aanleiding
Aanleiding voor deze uitspraak is een conflict over een overeenkomst tot afname van clouddiensten. Acknowledge heeft clouddiensten afgenomen van Interconnect op grond van overeenkomsten waarin de algemene voorwaarden van Interconnect van toepassing zijn verklaard. Interconnect vordert van Acknowledge betaling van meerverbruik van ‘powered-on geheugen.’
Over het gevorderde bedrag vordert Interconnect ook betaling van 1,5% rente per maand, op grond van art. 19 lid 8 van de algemene voorwaarden, en een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, (primair) op grond van art. 19 lid 9 van de algemene voorwaarden.
Het hof wijst de vorderingen toe, ook de gevorderde rente en incassokosten. Daartoe overweegt het hof, kort gezegd, dat Acknowledge vergeefs heeft bestreden dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn.
In cassatie
In cassatie klaagt Acknowledge dat het hof haar betoog dat toepassing van de algemene voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW) niet heeft beoordeeld, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Zij heeft zowel ten aanzien van de gevorderde rente, als ten aanzien van de incassokosten betoogd dat toewijzing daarvan afstuit op de redelijkheid en billijkheid. Over de incassokosten heeft Acknowledge gesteld dat de vordering van € 63.645,54, gelet op de hoogte daarvan en de beperkte incassowerkzaamheden, in geen verhouding staat tot de daadwerkelijk gemaakte incassokosten.
Die klachten slagen, zo oordeelt de Hoge Raad. Het hof heeft geen toereikend gemotiveerde beslissing gegeven over het betoog over de gevorderde rente.
Wat de incassokosten betreft geldt dat het hof wel heeft beoordeeld dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn, maar daarmee is het hof volgens de Hoge Raad niet (kenbaar) ingegaan op het betoog dat toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is:
“3.2.2 Het hof heeft overwogen (…) dat de algemene voorwaarden van Interconnect van toepassing zijn en dat Acknowledge niet, althans niet voldoende concreet, heeft aangevoerd dat art. 19 lid 9 van de algemene voorwaarden desalniettemin niet geldig is. Met dit oordeel is het hof niet voldoende gemotiveerd ingegaan op het verweer van Acknowledge dat het beroep van Interconnect op art. 19 lid 9 van de algemene voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Een dergelijk verweer veronderstelt immers dat de ingeroepen bepaling geldig is. Bovendien is het hof niet ingegaan op de in het onderdeel genoemde stellingen die Acknowledge aan haar op art. 6:248 lid 2 BW gebaseerde verweer ten grondslag heeft gelegd. De hiervoor in 3.2.1 weergegeven klacht slaagt daarom.”
Met dit oordeel komt de Hoge Raad tot hetzelfde resultaat als A-G van Peursem, zij het dat de A-G vond dat de klacht over de incassokosten ongegrond was (punt 3.35 van zijn conclusie).
Tags: contracten, verbintenissenrecht, redelijkheid en billijkheid, art. 6:248 lid 2 BW